Eerst maar eens in het kort mijn hart luchten over de lijdensweg die mijn vader op dit moment liggend in bed ondergaat. Sinds een ruime week is hij goed wakker uit de narcose. Hij ligt nog steeds aan een beademingsmachine omdat zijn ademprikkel niet goed op gang wil komen. Dit betekent een dikke slang in zijn mond die door de luchtpijp naar de longen gaat. Praten is niet mogelijk omdat de stembanden geblokkeerd worden.
Niet kunnen praten is voor mijn vader misschien nog erger dan niet kunnen fietsen dus we waren blij dat men de beademingsslang via een snee in de hals ging voortzetten. Dit gaf echter veel bloedverlies en doordat er ook bloed in de longen liep kreeg hij last van benauwdheid. Na een paar dagen proberen is besloten terug te gaan naar de eerdere manier, via de mond.
Zijn angstaanval die hij kreeg door de pruttelende en flink bloedende keelopening is voor mij prima voorstelbaar. Ik ben er zelf gelukkig niet bij maar hoor van mijn moeder dat hij onder het bloed zat en dat de slang maar lag te pruttelen en sissen dat je er griezelig van werd.
Ik vraag me af of dit hem misschien doet terugdenken aan situaties die hij meemaakte tijdens de politionele acties in Indonesië waar hij vroeger gevochten heeft. Hij heeft hier nooit veel over verteld maar werd ooit woedend toen mijn jongste broertje zat te griezelen bij een bord macaroni en zei dat het net hersenen waren.
Waarschijnlijk lijkt een bord macaroni inderdaad een beetje op hersenen, mijn vader zei in elk geval boos dat hij zich niet moest aanstellen en dat hij precies wist hoe hersenen eruitzagen omdat hij die in de oorlog wel gezien had. We hebben hem nog wel eens geprobeerd uit te vragen maar hij wilde nooit veel vertellen. Wel vertelde hij een keer dat hij meemaakte hoe iemand vlak voor zijn ogen getroffen werd door eigen granaten omdat deze de posities van zichzelf en de vijand per ongeluk had verwisseld tijdens veldcommunicatie.
Machteloos zit ik naast mijn vader en zie zijn woede over zijn situatie. Er valt prima met hem te communiceren maar je moet wel opletten wat je vraagt want hij kan alleen maar ja en nee knikken. Als het hem allemaal te veel wordt ga ik maar gedetailleerd vertellen over mijn laatste fietstocht die via Zwolle naar Ommen voerde om daar meel te halen. Ik zie dat de afleiding hem goed doet, even kan hij zijn beperkingen vergeten en een klein beetje opgaan in de beelden die ik probeer te beschrijven. Dat hij op de meeste plekken zelf ook ooit fietste helpt, hij kan daardoor ook zijn herinnering gebruiken om me te volgen.
Het meel is op, echt helemaal op. Over twee dagen moet er weer brood gebakken worden dus het doel van mijn ritje is niet moeilijk: Ommen. Om nog preciezer te zijn: molen De Lelie, daar is het beste meel te koop dat we ooit hebben gehad. De route naar Ommen ken ik onderhand wel, dus ik ga heen een beetje anders dan anders. Het is mooi weer en ik heb goede moed, daarom doe ik weer eens gek en vertrek totaal de verkeerde kant op: richting Zwolle.
In Hasselt neem ik het dijkje via Genne en Haerst, een recente ontdekking waar ik geen genoeg van lijk te krijgen. Het is daar ook zo'n mooi stukje Nederland, zelfs zonder kievitsbloemen. Net boven Zwolle vind ik een prachtige doorsteek langs Berkum en kan dan langs de andere kant van de Vecht verder fietsen richting Dalfsen.
Vervolgens rij ik via de Lemelerberg en Lemele naar Ommen. Halverwege de klim op de Lemelerberg stop ik omdat een eekhoorn op zijn dooie gemak de weg oversteekt. Een foto zit er niet in maar ik kan verder uitgebreid van dit mooie diertje genieten. Wat een onvoorstelbaar vanzelfsprekende gratie heeft zo'n diertje toch, daarbij vergeleken is zelfs de beste danseres maar een lompe opgedirkte aap.
Gelukkig heb ik de fiets in het lichtste verzet staan en ook dan is het halverwege de helling weer op gang komen een hele klus voor mij. Ik reed hier wel eens sneller en soepeler tegenop maar dat mag de pret amper meer drukken. Tijdens de korte maar vrij snelle afdaling besluit ik dat ik de remvoeringen weer eens ga naschuren, ik vind de remwerking toch net wat te kort schieten hier en vermoed dat de remschoenen weer een beetje verglaasd zijn. Het navijlen of naschuren heeft me altijd goed geholpen.
Met tien kilo meel aan boord doe ik op de terugweg op de Havelterberg mijn 'conditietest'. Zonder meel rij ik hier in goede dagen met zo'n 30 km/u tegen op, met meel haalde ik wel eens de 27, in slechtere tijden ben ik blij als ik 20 km/u haal. Zelfs met beulen, zwoegen en wind mee gaat het vandaag niet sneller dan 18 km/u dus met het lijf is het niet zo goed gesteld als ik wel zou willen. Ik heb nog steeds goede hoop dat dit beter gaat worden de komende jaren. Als ik eerst eens de loodzware therapie die ik volg weet af te ronden rij ik menigeen er straks lachend uit, desnoods ga ik er vlees voor eten.
Dat dit allemaal vrij betrekkelijk is wist ik al wel maar door het ziekbed van mijn vader wordt ik er nog weer eens even goed met de neus op gedrukt. Zijn actieradius is tegenwoordig beperkt tot het zijwaarts bewegen van zijn hoofd over een paar centimeter.
Als ik thuis op de teller kijk valt het me op dat de ruime omweg die ik maakte maar weinig extra kilometers heeft opgeleverd. Dat dit zo werkt weet ik al veel langer en ik zou daarom minder bang moeten zijn om eens flink om te rijden. In de praktijk ben ik altijd een beetje bang voor 'omrijden'. Om het mezelf nog eens duidelijk te maken waag ik me schuchter aan een spoortje wiskunde, het vak dat me ooit moeiteloos afging maar waar ik nu een beetje bang voor ben.
Na wat gehannes en gesteggel kom ik tot de conclusie dat een omweg via een perfecte halve cirkel de route met de helft van Pie verlengd, dat is 1,57. Zelfs bij een flinke omweg zal het verschil meestal kleiner zijn: de kortste route is immers zelden een rechte lijn maar eerder een kronkelspoor en een omweg over een halve cirkel is wel erg om. Dus bij dezen spreek ik dan maar met mezelf af dat ik gerust wat vaker de bekende weg mag verlaten en een ommetje kan maken, zelfs naar Ommen.
Nu mijn vader weer min of meer is teruggekeerd onder de levenden, hij zal nog wel lange tijd op de Intensive Care moeten blijven, is er weer iets meer ruimte voor af en toe een fietstochtje. Meteen grijp ik deze kans en probeer alsnog ergens langs het Zwartewater kievitsbloemen te vinden. Eerst fiets ik echter langs Ruitenveen om te kijken hoe het staat met de molen die daar gerestaureerd gaat worden. Niets bijzonders, er hangt een enorm groen net overheen en er staat een groot bord bij.
Ik ben ongebruikelijk laat vertrokken en kom in de spits terecht. Dat is niet lekker fietsen, veel opgefokte automobilisten die een loopje nemen met regels en fatsoen en te laat stoppen of te krap inhalen. Van deze ergernissen ben ik verlost als ik bij Haerst, pal boven Zwolle, het slingerdijkje op fiets. Stilte en twee fietsers, dat is alles. Ook geen kievitsbloemen, dat is jammer natuurlijk. Ik hoop tussen nu en volgend jaar te achterhalen waar ze precies staan. Misschien zijn ze helemaal niet vanaf de weg te zien maar moet er gevaren worden, het zou maar zo kunnen.
Mijn laatste hoop is gevestigd op het dijkje tussen Hasselt en Genemuiden. Het is hier schitterend, zeker vroeg in de avond, maar ik tref ook hier geen kievitsbloemen aan. Tegenover het industrieterrein van Genemuiden valt mijn oog op een groot veld moeraspaardenstaart. Ik stop en maak wat foto's. Bij ons staat dit plantje al jaren te miezeren bij de vijver, hier staan ze met honderdduizenden bij elkaar, bijna uitgebloeid en veel hoger dan thuis.
In Genemuiden neem ik het pontje richting Zwartsluis. Ik hoef maar kort te wachten en kan dan het dek op. Ik hou niet van pontjes, je moet wachten, weet niet zeker of ze varen, moet aan de juiste kant oprijden en dan ook nog ergens onder in de fiets je portemonnee zien op te duiken. Allemaal stressfactoren voor mij die maken dat ik opgelucht ben als ik weer aan de andere kant ben. Van de overtocht genieten lukt me zelden, daarvoor vind ik het allemaal te spannend. Doe mij de Ketelbrug maar.
Als ik aan de overkant ben ga ik niet naar Zwartsluis maar de andere kant op om via Sint Jansklooster tussen de grote meren Beulakerwijde en Belterwijde door weer naar huis te rijden. Het is een rustige zwoele zomeravond in April en ik geniet van de mooie lucht die boven de meren hangt. Een reiger vliegt op en twee skaters komen langs. Ik maak wat foto's, de skaters komen weer terug van hun ritje en dan stap ik ook weer in de fiets. Ik heb nog geen zin om naar huis te gaan, het is hier mooi en lekker stil, maar het is 8 uur geweest en ik begin nu toch echt trek te krijgen.
Na een spannende week is er vandaag even ruimte voor een rondje fietsen van niks naar nergens. Ik ben deze week een keer naar mijn vader gefietst maar de combinatie van veel kilometers, tegenwind en erg veel emoties brak me op de terugweg helaas behoorlijk op.
Ik zat zo gespannen en uitgeput in de fiets dat allerlei oude pijntjes weer om de hoek kwamen kijken. Hierdoor was het een barre ploetertocht om weer thuis te komen. Het was prachtig weer en ik heb zelfs nog een aantal aardige foto's gemaakt, maar ik herinner me amper iets behalve dat alles zeer deed en ik niet meer vooruit te branden was.
Na drie dagen bijkomen probeer ik voorzichtig weer eens hoe de fietsvlag er bij staat en kruip in mijn fietsje. Met Afke spreek ik af dat ik de eerste tien kilometer geen foto's zal maken. Het wordt echt te gek af en toe waar ik allemaal mee thuis kom. Natuurlijk lukt het niet om me aan die afspraak te houden en sta ik voor Eesveen alweer een boerengevel te fotograferen.
In Vledder, ik ben dan net de tien kilometer gepasseerd, neem ik de tijd om een schitterende rode beuk eens beter te bekijken en probeer ik wat foto's te maken. Dat valt me niet mee, de beuk staat midden in het dorp en daardoor vind ik het lastig om de beuk op een foto goed tot zijn recht te laten komen.
Net buiten Vledder spot ik een stalen hekpaal met grote gaten erin wat me op het idee brengt om de toren van Vledder eens anders in beeld te brengen. Terwijl ik over de roestige paal gebogen sta voor een groothoekopname knijpen twee passerende wielrenners even in de remmen en vragen of alles in orde is. Dan zien ze de camera en moeten we alle drie lachen om de vergissing, ze dachten dat ik voorover 'onwel stond te wezen' bij de hekpaal.
Door me heel erg koest te houden en me er niks van aan te trekken dat ik slechts 20 tot 25 kilometer per uur fiets lukt het me om een beetje te ontspannen en houden de knieën zich tot mijn opluchting redelijk gedeist. Als ik maar heel goed naar mijn lichaam luister wil het me best 'dienen' maar oh wat is het moeilijk om hoofd en ego koest te houden en niet op wilskracht de boel op te blazen of te forceren.
Bij het begin van het fietspad over de Duurswouderheide beland ik in een vlinderromance. Twee koolwitjes draaien en buitelen om elkaar heen en blijven toevallig vlak om de fiets hangen. Ik pak de camera maar krijg niets voor elkaar, het gaat allemaal net te snel om te kunnen volgen. Een derde vlinder komt er bij maar wordt door de andere twee weggestuurd. Langzaam dwarrelen de twee vlinders uit beeld en zet ik mijn verdraaide hoofd weer recht op mijn romp.
De Duurswouderheide is mooi maar ik ben zo verwend met Dwingelderveld en Fochteloerveen dat ik het maar een klein priegelstukje vind. Meer een stuk om eens te wandelen lijkt me. Het fietspad er over is ook niet veel waard voor de Quest en ik heb nog geluk dat ik niet al te veel tegenliggers ontmoet.
Voorbij Bakkeveen is het ongewoon druk met auto's. Dan is er een grote parkeerplaats ingericht door het Fryske Gea (de Friese natuurbeschermingsorganisatie) en wordt het weer stil langs de weg. Het is lammetjesdag aldaar, met kraampjes, ponyrijden, schapendrijven en nog veel meer buitenvermaak. Ik fiets onverschillig door, dit is me echt te druk en lijkt me verder ook niet leuk.
Nog geen honderd meter verder zit ik volkomen onverwacht te janken in de fiets. Huh, wat nu weer dan? Ik ga eens even bij mijn hart te rade en dan valt het kwartje. Mijn hoofd is misschien wel onverschillig maar mijn hart had hier dolgraag met een paar eigen kinderen rondgelopen om ze lammetjes te laten zien, op een oude versleten pony te laten rijden en de rest van het opgedirkte buitengebeuren in Libellestijl te laten beleven.
Tja, geen kinderen helaas, dus ik jank maar een eindje weg en als de tranen op zijn ben ik al bijna in Een-West, wat meer suggereert dan het is. Vanaf hier speel ik vele kilometers verstoppertje met twee oudere wielrenners die eigenlijk net iets sneller rijden dan ik. Eerst zet ik aan, bedenk dan dat ik ze weliswaar best in kan halen maar dat ik daar waarschijnlijk met zere knieën voor moet betalen.
Ik moet me verbijten om niet te gaan jagen, God wat ben ik toch een kinderachtig stuk onbenul zeg. Uiteindelijk wordt ik gered door een gekke kar langs de weg. Dat wordt een foto en dus een stop, einde van het puberale gejakker. Veel soelaas geeft het niet, even later zit ik ze alweer op de hielen omdat ze verkeerd waren gereden. Het lukt me nog steeds niet om ze te laten schieten, dit begint toch echt op iets instinctiefs te lijken.
Ik spreek met mezelf af dat ik ze bij mag halen maar niet mag passeren. Dat hou ik zowaar een paar kilometer vol, dan MOET ik er gewoon voorbij, ik kan er niets aan doen. Ter hoogte van Fochteloo doe ik het weer rustig aan, ze zijn lek of afgeslagen want ik kan in de verste verte niets meer zien. Afke belt en na wat over en weer gemopper omdat ze me niet kan verstaan en ik geen zin heb om te stoppen zet ik de fiets stil.
Verrek, daar rijden de wielrenners me doodleuk weer voorbij! Krijg nou niks... Ik hang in goed overleg op en moet geheid weer op jacht, het is niet anders vandaag. Met moeite haal ik ze in en zie ze dan bij Appelscha eindelijk echt een andere route kiezen. Zo, ik kan weer gezapig gaan fietsen en genieten van de omgeving. Mijn knieën lijken het allemaal net overleefd te hebben wat beslist onverdiend is in dit geval. Zal ik het dan nooit leren om me bij mijn beperkingen neer te leggen? Nee, ik zal het nooit leren.
De voortzetting van de fotojacht op de Kievitsbloem kon nog wel eens een jaartje gaan duren. Een ogenschijnlijk lastige verkoudheid bij mijn vader gaat binnen een paar uur over in een dubbele longontsteking en dan al snel in een bloedvergiftiging. Na de gebruikelijke en martelend lange wachttijd op de EHBO-post komt hij al snel op de intensive care terecht. Voor een optimale medicatie moet de exacte bacterie gevonden worden, daarvoor wordt een bronchoscopie uitgevoerd. Men laat hem voorlopig niet bijkomen uit de narcose in de hoop dat hij zo meer rust krijgt.
Om drie uur 's nachts belt de afdeling met mijn moeder om te melden dat hij naar de intensive care is gegaan. Zij neemt niet op. Na herhaaldelijk bellen wordt om half zes in de ochtend besloten om de tweede contactpersoon te bellen, dat zijn wij. Omdat we nog niet weten dat hij naar het ziekenhuis ging zijn we behoorlijk overrompeld.
Ik probeer mijn moeder een aantal keer te bereiken en overleg met een broer. Omdat het niets voor mijn moeder is om onbereikbaar te zijn besluit ik na wat twijfelen om de plaatselijke politie in te schakelen. Gelukkig zijn die niet zo snel, net op tijd weet ik toch nog mijn moeder te bereiken en kan haar zo de hartverzakking van twee agenten aan de deur besparen.
Mijn vader ligt gedurende het hele weekend op scherp, het is vooral spannend of hij reageert op de medicatie en in staat is om zelf meer witte bloedlichaampjes aan te maken. Dat lijkt hem uiteindelijk te lukken en ook verder lijkt hij een klein beetje te stabiliseren waardoor er nu toch weer enige hoop op overleven is.
Deze crisissituatie heeft slechts zijdelings met zijn ziekte van Wegener te maken. De enige manier om deze auto-immuunziekte onder controle te houden is door gebruik van zeer zware afweeronderdrukkende medicijnen. Het eigen afweersysteem wordt bijna volledig platgelegd en de kleinste ziekteverwekker kan op deze manier opeens levensbedreigend worden. De dubbele longontsteking en daaruit voorkomende bloedvergiftiging zijn in die zin te beschouwen als een bijwerking van zijn medicatie.
De dag voor het begin van dit nogal enerverend weekend heb ik me in de fiets helemaal laten gaan en ben zelfs eventjes in Duitsland terecht gekomen. Dramaticus als ik ben moet ik even huilen als ik bij Getelo de grens over ga en prompt een onbekend blauw vogeltje zo overvliegen. Ik maak er een Blauwstaart van, maar volgens Bruun's vogelgids is ie dan wel heel erg verdwaald. Wat het dan wel is blijft ook na veel snuffelwerk achteraf onduidelijk. De Fazant die zo'n beetje tegelijkertijd achter me de weg overscharrelt herken ik nog wel.
Ik zie in dit snippertje buitenland veel koolzaadvelden die uitbundig in bloei staan. De felgele banen zijn een prachtig gezicht in het landschap. Ik kan een aantal mooie en kleurige beelden maken voor de fotogalerie met boerennijverheid. Even na het dorpje Laar kom ik Nederland weer in en scharrel achter Hoogeveen om naar huis.
Ik heb veel te lang en te ver gefietst en ben de komende dagen geheid halfdood van de inspanning (die rol nam mijn vader even van me over maar deed dat wel erg letterlijk) maar ik heb genoten van het fietsen en van bijna alles wat ik onderweg gezien heb. Het voelt als een hele fietsvakantie op een dag, wat wil een mens nog meer.
Na deze heerlijke tocht rest mij slechts één prangende vraag: waarom is het rond Hardenberg altijd, maar dan ook echt altijd, zo beroerd fietsen? Door ervaring wijsgeworden laat ik dit ellendige plaatsje al lang zo veel mogelijk links of rechts liggen. Maar ook dan kom ik nog steeds onprettige fietsersverrassingen in de omgeving tegen.
Dit keer begint het met een haperende ANWB-kaart (Midden Nederland 1:200.000, 2003). Deze kaart liet mij nog nooit in de steek maar bij Rheezerveen neemt hij opeens een loopje met de realiteit en projecteert wegen kilometers verderop. Vervolgens blijken verharde wegen niet te bestaan en het dan maar in nood genomen fietspad is weliswaar geasfalteerd maar van bizar slechte kwaliteit.
In en rond Mariënberg wordt er vervolgens gesold met onschuldige fietsers dat het een lieve lust is. Geen borden, foute borden, plotseling afgebroken fietspaden, verzin het maar en je komt het tegen... Tot aan Sibculo weet Hardenberg haar zwarte magie uit te oefenen met een asfaltweg die van zulk grof grind voorzien is dat ik werkelijk betwijfel of ik ooit nog thuis zal komen.
Als dit de eerste keer was zou ik er instinken en in toeval geloven maar ik weet inmiddels beter. Het vraagt om te beginnen al veel doorzettingsvermogen om het plaatsje Hardenberg zelf zonder kleerscheuren en route-depressie's door te worstelen, net onder Hardenberg viel een gemene hond ons ooit aan op de tandem en even later wilde zijn baasje dat nog eens over doen, we werden in Hardenberg een keer doof getoeterd door een eindeloze colonne vrachtwagens met geestelijk gehandicapten als bijrijder, nee, hier moet je als fietser zo min mogelijk komen.
En dan is het opeens voorbij alsof er nooit iets aan de hand was. Voorbij Sibculo is het schitterend fietsen over een doodstil fietspaadje langs Engbertsdijksvenen waar zelfs de muggen mededogen hebben en alleen stilletjes op de Quest neerstrijken.
Daarom mijn welgemeend advies aan andere fietsers: wil je afzien, ga naar Hardenberg en geniet van deze hel. Heb je je leven lief, wees dan verstandig en ga er met een wijde boog omheen. Sterven kan altijd nog en op elegantere manieren.
Vandaag ga ik op jacht. Op jacht naar een bloemetje, een lief klein bloemetje. In onze achtertuin bloeit sinds enkele dagen de kievitsbloem weer. Een heel aardig bolgewasje met paarse geblokte klokjes. Hij red het maar met moeite in onze tuin, vorig jaar werd ie opgepeuzeld door een groepje leliehaantjes, dit jaar zijn het de luizen die het op hem voorzien hebben. Met lede ogen laten we de natuur haar gang gaan.
Voor alles op is zet ik de klokjes nog snel op de foto maar het is al een behoorlijk armoedige gatenkaas geworden. Dan krijg ik opeens een geweldig idee. Ik ga deze klokjes in het wild opzoeken en daar fotograferen. Ze staan binnen fietsafstand van Steenwijk, ergens in de buurt van Zwartsluis en Hasselt. Ik ga zoeken op internet en vind met veel moeite enkele gegevens.
Of ik er bij kan is nog maar de vraag, het plantje is erg zeldzaam en kwetsbaar en de gebieden zijn over het algemeen afgesloten voor publiek om plukkerij en zelfs opgraverij te voorkomen. Grootste vijand is overigens de landbouw die tegenwoordig ander maaigedrag vertoond waar de plantjes niet van terug hebben.
Tussen de informatie kom ik de opmerking tegen dat ze erg laat zijn dit jaar. Ik kan me daar met de huidige temperaturen erg weinig bij voorstellen en betwijfel of het waar is. Hoe kom ik daar beter achter dan door gewoon ter plekke eens te gaan kijken.
Eerst fiets ik naar Hasselt, ik hoop onder Hasselt langs Zwarte water of Vecht de plantjes te vinden. Ik fiets en ik kijk en ik tuur en ik speur maar ik kom niet verder dan af en toe een polletje pinksterbloemen of paardebloemen. Volle velden had ik niet verwacht maar dit valt toch wel wat tegen. Het lijkt er op dat het toch klopt dat ze dit jaar later bloeien.
En dan opeens zie ik waar ik zo op hoopte: een wat grotere donkerpaarse vlek in de berm onder aan de dijk. Net voor de borden met verboden toegang dus ik kan er lekker toch bij zonder mijn geweten te bezwaren. Ik stop, stap uit en vind inderdaad een paar, zeg maar gerust een heel paar want verder dan drie kom ik niet, kievitsbloemen. Zo veel hebben we er thuis ook in de tuin en ook hier is er al lekker in gehaffeld.
Toch maar wat kiekjes maken, al was het maar voor de vorm en tegen de teleurstelling. Fietsers die over de dijk langskomen vragen zich af wat ik daar op mijn hurken in het gras zit te doen, zien dan de camera en rijden door. Ik heb mijn bloemetjes geschoten en kan met een gerust hart weer op huis aan. Over een ruime week moet ik nog maar eens rondstruinen hier, dan staan ze waarschijnlijk heel wat royaler te bloeien.
Op de terugweg kom ik in het Staphorster bos een verdwaalde ree tegen die goed in de problemen zit. De weg is over een paar honderd meter aan beide zijden afgezet met hoog gaas, juist om te voorkomen dat ze hier oversteken en aangereden worden. Op ongelukkige wijze is de ree op de weg tussen dit gaas terecht gekomen en kan dus geen kant meer op.
Aan de ene kant staan twee fietsers waaronder ik, aan de andere kant staan auto's, en verder is het gaas, gaas en nog eens gaas. Het dier durft niet langs fietsers of auto's en probeert meerdere keren over het gaas te springen. Dat lukt tot mijn verbazing niet. Dan wil ie dwars door het gaas heen. De ree schiet van links naar rechts over de weg en klapt ettelijke keren vol met kop of schouders in het gaas. Het is een afschuwelijk gezicht en akelig om niets te kunnen doen.
Uiteindelijk schiet de ree langs de auto's en klapt dan over een paar honderd meter nog vele keren links en rechts in het gaas om daarna aan het einde van deze letterlijke martelgang eindelijk het vrije veld in te kunnen. Hij zit onder de kale plekken en is volgens mij flink toegetakeld. Tijdens het incident probeer ik zelfs nog foto's te maken maar de andere fietser rijdt telkens in mijn beeld zodat ik geen kans krijg.
Beduusd hervat ik mijn fietstocht en probeer te verzinnen wat ik had kunnen doen. Dan passeer ik een mountainbiker en moet ik aan de slag om deze voor te blijven, zo hard fiets ik niet meer tegenwoordig. Voor de onfortuinlijke ree is even geen tijd meer. Ik hoop een foto binnen te rijden, dan kan ik even stoppen en de fietser laten schieten.
Helaas is dat me niet gegund, ik moet zwoegen tot net buiten Koekange onze wegen zich gelukkig eindelijk scheiden en ik weer mijn normale gezapige tempo mag draaien. Voor deze opgefokte fratsen betaal ik met zere benen die niet meer willen en ik moet meer dan anders op mijn tanden bijten om de fiets en mezelf weer netjes tuis af te leveren.
Als ik de proviand voor mijn tochtje bij elkaar wil pakken grijp ik twee keer mis. De ontbijtkoek is op en er zijn ook geen bananen meer. Ik zie het niet zitten om eerst nog naar een winkel te gaan dus ik neem een gewone dubbele boterham mee, zo'n zware zelfgebakken die je onderweg amper weggekauwd krijgt. Als troost neem ik dan maar een extra fruitreep mee.
Omdat ik weg ga en Afke voorlopig ook niet thuis is vind ik het onzin om de verwarming aan te zetten. Dan heb ik echter ook geen radiator om mijn fietsschoenen lekker op voor te verwarmen, iets wat me erg goed bevalt. Uiteindelijk verzin ik om de fietsschoenen een poosje in de oven te zetten, ik verwacht dat het zuiniger is om de kleine oven op te stoken dan het hele huis.
Voor mijn doen ben ik vroeg op pad en dat wordt bij Ansen al beloond met een kleine koppel reeën dat door het gerommel van mijn fiets vrij rustig wegstiefeld naar de bosrand. Ik ga voor de verandering eens niet over het Dwingelderveld maar er net achterlangs en kom daarna door het piepkleine Terhorsterzand. Het fietspad wat hier doorheen loopt is ooit bereden door de koningin en is later tot koninginnenpad gedoopt.
Ik vind dit reservaatje vooral interessant vanwege een prachtig stukje met jeneverbessen. Daar stop ik dan ook om een aantal foto's te maken. Ik heb geluk, de zon staat precies goed en er staan mooie wolkjes aan de hemel. Als ik terug loop naar de fiets valt me opeens een pol heide op die wel erg rood van kleur is.
Als ik me buk en beter kijk zie ik een soort bloemhoofdjes en bij aanraken van de pollen komen er hele wolken stuifmeel vrij. Hier staat duidelijk iets te bloeien, maar wat? Struikheide kan het niet zijn, die ken ik wel en die bloeit doorgaans in augustus. Ook dopheide is me wel bekend, die bloeit met roze belletjes. Ik kan alleen nog kraaiheide bedenken maar de bloeitijd daarvan zou ook veel later zijn.
Kraaiheide of niet, bloeiend vind ik het struikje vrij fotogeniek dus statief en voorzetlens worden uit de fiets gehaald. Het waait net iets te hard waardoor ik maar moeilijk scherpe opnames kan maken. Verder is het zonlicht hard, geen optimaal macro-weer eigenlijk. Ik laat het bij een paar opnames die thuis waarschijnlijk allemaal afgekeurd worden maar niet geschoten is zeker mis.
Na het Terhorsterzand fiets ik verder Drenthe in en kom uiteindelijk bij een nieuwe en mij onbekende uitkijktoren terecht in boswachterij Grolloo. De toren doet een beetje aan een groot uitgevallen ooievaarsnest denken en staat op een open strook tussen twee boswachterijen. Het overwinnen van mijn hoogtevrees wordt beloond met een weidsheid die indrukwekkend is en die ik niet goed met de camera in beeld gebracht krijg. Een bovenaanzicht van de Quest wil, met trillende angstbenen door de hoogtevrees, nog wel lukken. Toch leuk om eens van boven te zien hoe rank en elegant de vorm van mijn fiets is.
Ik kom weer vele hardwerkende boeren tegen en maak braaf mijn foto's. De galerie met machines op het land komt zo wel heel snel vol. Misschien moet ik me nog gaan beperken tot machines van één kleur om het spannend te houden.
Op de terugweg wordt ik even voor Doldersum bijna van de weg gereden door een vrouw die met een telefoon aan haar oor een zware tractor wil inhalen en mij in eerste instantie over het hoofd ziet. Het gaat allemaal net goed gelukkig maar ik schrik zo dat ik haar best eens even stevig zou willen toespreken.
Dit ritje was mijn reistijd gelijk aan de rijstijd. Voor ik ging fietsen heb ik brood gekneed en weggezet om te rijzen. Omdat ik niet wist hoe lang ik weg bleef maakte ik het brood aan met koud water zodat de rijstijd langer is. Als ik terugkom is het brood precies klaar om de oven in te gaan, wat een voortreffelijke planning weer.
Graag schreef ik hier dat het koffiemolenrateltje achter in mijn Quest nu toch echt tot het verleden behoort maar niets is minder waar. Ik mag nog blij zijn dat het door al mijn ingrepen niet telkens erger wordt hoewel ik zelfs daar af en toe over begin te twijfelen. Voorlopig lijkt het probleem onoplosbaar en moet ik me maar met het geluid proberen te verzoenen.
Tijdens een van mijn laatste ritten kom ik langs een tuin in Uffelte waar een Magnolia volop staat te bloeien. Ik had deze struik al eerder in de smiezen maar had nog geen zin om te stoppen voor wat foto's. Nu wel. Het is een echte drive-in struik: ik zet de fiets stil aan de rand van de tuin, kan gewoon blijven zitten en schuin naar boven toe een paar aardige foto's maken van de hagelwitte bloemen. Wat een lekkere luxe luie fotofiets is de Quest toch af en toe.
Een trouwe webloglezer schreef me eerder dat ik misschien eens een copyrightvermelding op mijn fotowerk moet overwegen omdat er zo makkelijk en snel op internet gekopieerd wordt. Deze aanmoediging was precies de druppel die me deed besluiten dat inderdaad te gaan doen, ik twijfelde zelf al langere tijd en kon nu eindelijk de knoop doorhakken.
Prompt reageert een andere net zo trouwe lezer dat hij mijn foto's tegenwoordig verschrikkelijk vindt met die stomme copyrightvermelding in beeld. Tja, je kunt het niet altijd iedereen naar de zin maken. Ik vind het zelf ook storend om door foto's heen te kalken maar het is daardoor wel in een keer duidelijk dat niet alles voor de graai en de snaai is. Het belang ervan is nogal betrekkelijk, ik hoef niet van mijn fotowerk te leven immers, maar voorlopig laat ik het toch maar zoals het nu is.
Hoewel ik de laatste jaren al heel wat in de omgeving afgefietst heb ontdek ik af en toe toch nog weer nieuwe plekjes en weggetjes. Soms is er een heel goede reden waarom ik een weggetje niet ken: er valt domweg amper te fietsen met de Quest omdat het een akelig rammelpad is. Soms echter ontdek ik hele aardige aanvullingen. Zo fietste ik kort geleden van Zwartsluis richting Hasselt maar sloeg in een gekke bui halverwege pardoes af richting Zwartewatersklooster.
Zo lieflijk had ik het daar niet verwacht, een piepklein gehuchtje aan een smal en doodstil boerenweggetje van prima kwaliteit. Vroeger heeft hier ongetwijfeld een klooster gestaan, er rest nog een bollend kerkhofje aan de rand van het gehucht. Na de rare slinger door dit plaatsje kom ik dwars door natuurreservaat De Olde Maten. Dat 'dwars door' voelde nog nooit zo letterlijk als hier. Naar links en naar rechts lopen eindeloze stroken gras- en rietland de verte tegemoet. Ik zie bijenkasten, nog meer bijenkasten en dan twee ingepakte imkers in de weer en waan me ver terug in het verleden.
Een ander uitstapje gaat in de Noordoostpolder zuidelijk onder Schokland door. Jaren geleden hoopte ik hier met Afke een fietspad over de dijk te vinden dat er niet bleek te zijn. Nu is het er wel, via Schokkerhaven kom ik op een onderhoudsweg waar goed te fietsen is. Het uitzicht over het Ketelmeer valt wat tegen, er ligt een eindeloze strekdam die de wijdsheid teniet doet.
Vanaf de Ramspolbrug is het gedaan met het dijkrijden, ik moet terug de polder in. Daar rij ik van tractor naar tractor. In rijen en kluiten zwermen de boeren over het land om alles er weer snel in te krijgen. Er wordt geploegd, geëgd gezaaid, gepoot en zelfs al weer gespoten. Ik maak veel foto's, een mooi begin voor mijn voorgenomen fotogalerie over boeren op het land.
Opeens zie ik in de verte in de vlakke kleipolder een duidelijke verhoging. Schokland ben ik al lang voorbij dus ik ben nieuwsgierig wat het dan zal zijn. 'Oud Kraggenburg, voorm. vluchthaven' lees ik op mijn kaart. Ik verzin al fietsende van alles bij deze vermelding, maar wat ik later op internet vind is toch weer anders. Het blijkt te gaan om een kunstmatig eiland dat er al was in 1848, lang voor de inpoldering. Het lag aan het einde van een lange strekdam die het verzanden van het Zwarte Water moest tegengaan. Boven op de terp werd een lichtwachterswoning gebouwd die er nu nog staat.
Via de Kadoelersluis ga ik de polder uit en rij dan opeens weer in een veel kleinschaliger landschap. Hier fiets ik niet van tractor naar tractor maar van tjiftjaf naar tjiftjaf en uiteindelijk door de Wieden weer naar huis. Het laatste beetje ruimte op de fotokaart wordt vlak bij huis volgeschoten op een grote groep zwanen die bij 'De Auken' is neergestreken en statig heen en weer zwemt.