Het doel voor mijn fietstocht van deze keer dient zich aan als ik samen met Afke een wandeling maak over het Aekingerzand bij Appelscha. Bij een poel vlak bij de uitkijktoren staan we tot mijn verbazing opeens midden op zonnedauw, een zeldzaam en bescherm vleesetend plantje. Thuis vind ik een hoogtemaat van 5 tot 30 cm, nou, die 5 cm haalt ie niet eens. Erg pietepeuterig dus maar daarom beslist niet minder aardig om te fotograferen.
Het ligt voor de hand om dat meteen te doen, maar ik ben verstandig geweest en heb het grootste deel van mijn fotouitrusting thuis laten liggen anders wordt er helemaal niet meer gewandeld onderweg. Fototochten doe ik maar in mijn eentje, met Afke wordt er af en toe ook nog een stukje gelopen anders gaat ze zich stierlijk vervelen.
Dus worden alle fotospullen in de fiets geladen en rij ik met goede moed en later dan ik van plan was op weg naar mijn zeldzame plantjes. Als ik daar eenmaal ben loop ik eerst wat te dralen. Was dit het nou? Moest ik daar nou zo enthousiast over worden?
Wat een armetierige priegelbende en wat een ellende om te fotograferen. De plantjes staan precies in de natte zone dus ik moet verschrikkelijk goed uitkijken om statief en camera niet te verstieren in de modder. Het gehurk, gebuk en geblubber op mijn fietsschoenen is ook al geen pretje. Als ik de eerste opstelling gemaakt heb is de tegenzin snel overwonnen: door de macrolens is het een fraai gezicht, die blaadjes met steeltjes, kleefkopjes en her en der een gevangen vliegje.
Na een eerste kleine serie kijk ik nog eens wat beter om me heen. Stiekem hoop je bij deze plantjes op een gevangen libel en hoewel ze daar hier eigenlijk veel te klein voor zijn zie ik toch opeens een groot beest zitten. Een azuurwaterjuffer, als ik beter kijk zijn het er zelfs twee. Dan zie ik dat ze aan het paren zijn. Het vrouwtje is op een zonnedauwblaadje gaan zitten. Morbide sex hier zo vroeg op de ochtend.
Hoewel het onderwerp zeer de moeite waard is vallen het licht en de rommeligheid van de achtergrond tegen dus de foto's zijn een beetje matig. Als ik heel voorzichtig een strootje probeer weg te trekken om het beeld wat rustiger te krijgen komt het vrouwtje opeens los van de zonnedauw. 'He, dat zal wel opluchten', denk ik. Even later komen ze ook los van elkaar en vliegen weg.
Voor mijn gevoel heb ik er al weer een hele dag opzitten, wat een fotoavonturen allemaal. Het is echter vroeg in de ochtend en ik kan best nog een stukje verder fietsen. Op mijn gemak scharrel ik over schelpenpaadjes tussen de toeristen en schapen door tot ik weer een fatsoenlijke weg onder de wielen heb. Door een ingeving besluit ik om nu eindelijk eens te proberen een doorgang te forceren tussen Huis ter Heide en Norg.
Vanaf de kant van Norg heb ik ooit met de Alleweder geprobeerd een fietspad naar Huis ter Heide te vinden. Dat liep uit in een dramatische route waarbij ik gek werd van de haakse bochten en het gescharrel en gehobbel. Daarna heb ik nooit meer de moed kunnen opbrengen om het nog eens goed uit te zoeken.
Dat had ik beter wel kunnen doen want vanaf Huis ter Heide blijkt een keurig betonpad te lopen tot aan het begin van Norg. Het eindigt aan de overkant van de weg waar ik ooit stond te zoeken en foeteren. Ervan uitgaande dat de borden die er nu staan er eerder ook stonden heb ik toch echt niet goed opgelet indertijd. De bewegwijzering is misschien niet optimaal maar had mij toch niet in verwarring hoeven brengen. Afijn, ik heb er weer een mooi stuk route bij.
Op een afgelegen boerenweg hoor ik opeens getingel en geratel, alsof er een takje of draadje in de wielkast tegen de spaken hangt te rammelen. Vreemd, ik heb niets op de weg zien liggen en ook achter me is niets te zien. Het is snel weer over dus ik schenk er verder geen aandacht aan.
Een tijd later kijk ik op mijn teller en ben verbaasd over de afstand. Ik zat een poos terug ergens rond de 94 km en zit nu op 104. Wat vliegt de tijd dan toch en wat ga ik toch ook verschrikkelijk langzaam tegenwoordig. Afijn, niet te veel op letten, daar word ik alleen maar sikkeneurig van.
Ik probeer een onbekende route van Hooghalen naar Hijken en ben verheugd over de goede kwaliteit van de weg. Alweer een nieuwe mogelijkheid erbij, wat leuk. Dat doen we nog een keer, nu van Hijken naar de Beilervaart. Het eerste stuk is even slikken want verschrikkelijk slecht. Dat zal buiten het dorp wel beter worden, dat heb je wel vaker.
Gedurende een kilometer probeer ik het begrip 'buiten het dorp' ruim uit te leggen maar dan moet ik toch echt toegeven dat ik op een verschrikkelijke rotweg zit en me triest vergist heb. Van omkeren is geen sprake meer, zo zit ik niet in elkaar, veel te eigenwijs. Even verder wordt het allemaal nog veel erger en ik begin me echt af te vragen hoeveel getril een Quest eigenlijk kan hebben zonder in stukken te breken.
Het is een gedreun en getril dat horen en zien me vergaan. Als ik naast me op de weg kijk lijkt het allemaal best mee te vallen. Dit is nu precies zo'n klinkerweg waar een Quest geen raad mee weet, klinkers met een gootje ertussen en gelegd in visgraat. De schuine gootjes van de visgraat drukken het achterwiel alle kanten op en daardoor begint de fiets te shimmieën als een idioot. Ik ben opgelucht als ik bij de Beilervaart dit stuk ellende verlaat.
Als ik op mijn teller kijk zie ik een stand die ik me meen te herinneren. Had ik dat niet al eerder op de teller staan? Ik vergis me natuurlijk en heb eerder alleen vluchtig naar de laatste cijfers gekeken. Daardoor verwar ik 94 en 104 met elkaar. Achter Geeuwenbrug moet ik mijn aandacht weer op de weg richten, alweer een beroerd stuk waarbij alle aandacht nodig is om de fiets in goede banen te leiden.
Uit een ooghoek zie ik 104 op de teller. Oeps? Nu begin ik mijn trouwe teller toch te wantrouwen. Even later kijk ik weer: nog steeds 104. En dan valt eindelijk het kwartje: het getingel in de wielkast eerder vandaag was de sensor van de teller die losschoot en in de spaken hing. De sensor zal wel door de spaken onthoofd zijn en ergens langs de weg liggen, joost mag weten waar. Lichtelijk teleurgesteld fiets ik het laatste stuk naar huis, ik zal nooit weten hoeveel ik vandaag precies gereden heb.
Later ontdek ik dat de sensor inderdaad loskwam maar gelukkig niet onthoofd werd en keurig ergens in de wielkast hangt. Ik kan hem zo terugdrukken maar het houdertje is nogal uitgelubberd. Ik maak over het versleten plastic hulsje een extra klemhulsje van aluminiumbuis om alles bij elkaar te houden. Na wat geslijp en gevijl ziet het er weer keurig uit.
Mijn dagafstand meet ik na met een kaartwieltje en uit ergernis corrigeer ik de totaalafstand met de 'Frans Grotepass' methode. Die bestaat uit een los magneetje dat ik op een drevel in de boormachine klem. Deze laat ik op volle toeren vlak bij de sensor draaien en zo weet ik er in een paar minuten nog heel wat kilometers bij te sprokkelen. Ik zie dat ik dat met een snelheid van 246 km per uur doe, pfoeh, dat doe ik mijn boormachientje niet na hoor.
Had ik het al eens over het poetsen der bril gehad? Nee? Bij deze dan. Ik wordt er af en toe bijna neurotisch van. Ik heb een fantastische fietsbril van Rudy Project, type Perception. Jaren geleden na eindeloos gepas en gevergelijk aangeschaft. Het is een aparte variant op de fietsbril met inzet voor optische glazen.
Er is niet echt sprake van een inzet maar meer van een los frame waarbij de inzet uitgeklikt kan worden en de gestroomlijnde voorhang opgeklapt kan. Dat opklappen leek me wel makkelijk en inderdaad heb ik er soms profijt van dat je een laagje glas weg kunt klappen bij een stoplicht in de regen of tijdens fotograferen. Voor de rest vind ik het een bezopen onding en ik zal blij zijn als ik eens wat beters vind.
Maar het ging eigenlijk om dat poetsen. Als ik de bril niet behandel met anticondens beslaat ie geheid. Ik vond een aardig flesje bij de Hema waarvan ik met wat extra afwasmiddel de receptuur nog verbeterde. Prima spul, maar aangebracht op twee lagen glas krijg je zoveel reflectie en wazigheid dat ik er daas van word. Dus dat spul moet echt heel netjes uitgewreven worden. Vanmorgen gaat dat zo moeizaam dat ik, uit kwaadheid heb ik het eens geklokt, zeker zeven minuten bezig ben voor mijn fietsbril bruikbaar is. Van dat soort dingen kan ik erg sikkeneurig worden.
Als ik eindelijk gereed ben voor vertrek is het 12 graden. Wel een lange fietsbroek aan maar van boven alleen een T-shirt want er staat geen wind. Ruim een uur later gaat de lange fietsbroek uit, ik voel dat ik zweterige benen heb. Later blijkt dat een te optimistische inschatting, ik krijg pijnlijke benen en voel dat ze te koud zijn. Ik kan het niet opbrengen om bij 21 graden weer de lange broek aan te trekken maar ik zou er zeker profijt van gehad hebben. Op een of ander onbegrepen manier is de doorbloeding in mijn benen ver beneden de maat, altijd al geweest trouwens.
De eerste uren is het opnieuw onverwacht rustig langs de weg maar net buiten mijn vertrouwde territorium verandert dat. Is er wat te doen bij Friesche Palen op de grens tussen Friesland en Groningen? Het is een drukte van belang op de achterafweggetjes die ik kies. Iedereen is onderhand toch ter kerke dus dat kan het niet zijn. Dan een bocht in de weg en het is weer zoals je hier in deze grensstreek verwacht: nagenoeg uitgestorven.
Tussen Surhuisterveen en Boerakker loopt een mooie kronkelweg van prima kwaliteit en ik neem me voor dit stukje route goed in mijn oren te knopen. Bij Boerakker is het opeens gedaan met de pret. Ik wil terug naar het zuiden maar de weg die ik wil nemen oogt wel erg als een autoweg. Mag ik daar echt op? Ik kijk, zie geen verbodsbord voor fietsers, vertrouw het niet en steek toch maar recht over en kijk dan nog eens op de kaart. Als ik deze weg niet neem kom ik terecht in Leek, brrr, daar had ik al eens zoveel routeverdriet dat ik dat wil voorkomen.
Omkeren maar en toch de autoweg-achtige route nemen. De pret is van korte duur, na 200 meter staat er wel een verbodsbord. Ik kan geen kant op behalve een zandweggetje. Terug maar weer. Dat had ik gedacht. Achter me staat opeens ook een verbodsbord. Huh? Ik heb onbedoeld toch op een stukje autoweg gereden en zeker een bord over het hoofd gezien. Het is rustig en ik kan echt niet anders dus het moet maar even.
Ik heb meer over het hoofd gezien want er steekt wel degelijk een soort fietspad het land in. Gretig om de autoweg te verlaten schiet ik er in. Vijftig meter verder houdt de verharding op en gaat het over in een smal graspaadje waar ik met de Quest echt niet door kom. Toch geen fietspad dus. Ik ben de wanhoop en een ontploffing nabij.
Ruim een kwartier na mijn eerste passage van de kruising bij Boerakker kom ik er opnieuw langs. Ik weet nu in elk geval dat je hier gewoon rechtdoor moet, of je nou door Leek wilt of niet. Even verder geeft een fietswegwijzer keurig de route naar Tolbert aan. Wat een opluchting, daar wil ik precies heen.
Enthousiast volg ik de aangegeven route maar hoe verder ik kom hoe meer ik begin te twijfelen. Ik wil heus graag naar Tolbert maar krijg het vermoeden dat men de route daarheen via Leek gedacht heeft, en Leek, daar wilde ik nou vooral niet komen. Ik verzamel al mijn moed en verlaat de route naar Tolbert in de hoop het zelf beter te weten. En inderdaad, even later rij ik keurig Tolbert binnen.
Waarom ik dacht dat het door Tolbert beter fietsen zou zijn dan door Leek is me achteraf een raadsel, deze twee dorpen zijn zo met elkaar vergroeid dat het één geheel is geworden. Ik mis een doorgaande weg recht door Tolbert-Leek en raak daardoor verstrikt in Zoetermeer-achtige woonbuurten. Het glibbert en kronkelt zo alle kanten op dat ik al snel volkomen gedesoriënteerd raak. Met moeite lukt het me het zuiden aan te houden en weet ik uiteindelijk te ontsnappen uit deze doolhof.
Het is dan nog even tandenknarsen tot Zevenhuizen vanwege zeer onlogisch geplaatste verbodsborden voor fietsers. Eerst is het verboden, twintig meter verder wordt dit verbod weer opgeheven om na een halve kilometer weer ingevoerd te worden. Men weet hier duidelijk niet wat men wil en mijn punthoofd begint te knellen onder mijn helm. Bij Zevenhuizen kom ik weer op bekend terrein en kan eindelijk een beetje ontspannen op de doorgaande route die zonder gezeik en gezeur tot Appelscha loopt.
Langs de Drentse Hoofdvaart zet ik bij Havelte de fiets in de berm omdat er een ruiter met paard loopt te schutteren. Gelukkig schat ik de ernst goed in, de ruiter zelf was wat goed van vertrouwen. Het is in mijn ogen een gevaarlijke situatie, het paard loopt op de tussenberm en schiet meerdere keren de drukke en snel bereden hoofdweg op. Uiteindelijk ziet de amazone ook de ernst in, klimt van haar rijdier en loopt langs de fiets. Als dit verkeersmak heet ben ik de wereldrecordhouder ligfietsen.
Ter hoogte van de hunebedden bij Havelte breekt de zondagmiddagse toeristenpleuris uit. Dat er eens een keer iemand even niet oplet of aan de verkeerde kant rijdt kan gebeuren, maar waarom overdrijven toeristen hier altijd zo? Het fietspad is zo'n vier tot vijf Questen breed dus ruimte genoeg voor iedereen zou je denken. Toch weten ze hier met zijn tweeën het fietspad volledig te blokkeren en kijken dan nog geërgerd om als ik eens flink toeter.
Het kost me moeite beleefd te blijven en als even verder een vrouw gezellig uit het bos het fietspad opduikt en aan de verkeerde kant recht op me af komt trappen gaat naast de toeter ook een vloek mee. Dit is snotverdikkeme het enige stuk waar ik vandaag eens vaart had kunnen maken, ik voelde me al bijna Hans Wessels, en dan gaan ze me zo plagen. Blijf op je eigen helft en kijk eens voor je uit oetel.
Dan is het weer stil en mag ik me tot Frederiksoord toch nog even lekker mijn eigen kampioentje wanen op het zalig gladde fietspad dat daar loopt. Hoei, wat kan ik toch hard fietsen als ik niet op de teller kijk!
Hemelvaart is dauwtrappen, tenminste zo herinner ik het van vroeger. Ik geloof niet dat ik het zelf ooit gedaan heb maar mijn oudere broer liep dan al dagen te kakelen dat hij met vrienden heel vroeg door het bos ging fietsen.
De avond voor Hemelvaart verzin ik dat ik het ook maar eens ga proberen en bereid Afke voor op een vroeg piepende wekker. Ik neem me voor om rond zes uur op te staan en dan om een uur of zeven weg te fietsen. Van dat voornemen komt niets terecht, ik ben zo zenuwachtig dat ik om half vijf wakker wordt en niet meer kan slapen. Even over vijven geloof ik het wel en sta op. Om zes uur zit ik in de fiets.
Ik had vandaag verwacht heel wat vroege sportievelingen tegen te komen maar het is doodstil onderweg. Geen auto's, geen fietsers, geen wandelaars. Af en toe een aanslaande hond, vooral als ik te dichtbij stop om foto's te maken. Dauw is er genoeg en ook een sfeervolle zonsopkomst. Het staartje daarvan gebruik ik voor een sfeerplaatje van gele lis die ergens tussen Steenwijk en Wolvega aan de slootkant staat te bloeien.
Als ik weer op gang kom schieten twee hazen bij me vandaan en huppelen ontspannen een akker op. Ik stop opnieuw maar ze zijn eigenlijk al te ver weg voor een aardig plaatje. Verderop in Wolvega kom ik langs een berm vol akkerkruiden als korenbloem, margriet, klaproos en bolderik. De zoveelste fotostop maar weer. Ik ben anderhalf uur onderweg en maar liefst 16 kilometer opgeschoten.
Bij de gele lis had ik al gemerkt dat het vandaag een uitgelezen macro-ochtend is: het is windstil. Geen wiebelende bloemetjes en daardoor bewogen foto's, alles wat ik verzin kan ik vastleggen. Dus ook een ongetruukte foto van waterdruppels op heermoes met daarin de spiegeling van een er achter staande margriet. Ik heb er hier in het plantsoen veel profijt van dat ik een dergelijk effect laatst al in de kamer heb gefotografeerd want ik weet nu precies hoe ik alles moet in- en opstellen.
Bij Nijeberkoop zie ik tot mijn schrik dat mijn favoriete boerderijtje van zijn karakteristieke bomen is beroofd. Wat een desillusie zeg. Het boerderijtje zelf zal zijn langste tijd ook wel gehad hebben en een dezer dagen verkocht en gesloopt worden vrees ik. Op deze manier krijgt mijn schilderij van dit plekje sneller dan verwacht historische waarde.
Het is niet de eerste 'sloopschrik' van vandaag want net buiten Tuk zie ik dat een karakteristieke boerderij boven op de bult van de kaart verdwenen is. Oeps, dit hou ik zelfs met mijn fototoestel in de aanslag niet meer allemaal bij.
Tot mijn grote verbazing blijft het de hele morgen verder doodstil op de weg. Ik moet denken aan een fietsvakantie die mij ooit door Schotland voerde, ik kwam daar toen enkele auto's per uur tegen. Vandaag is het hier zelfs nog stiller op de weg. Wat een genot, de wereld is even lekker helemaal van mij, dit wil ik vaker meemaken.
Eerst waren we jaren tevreden en gelukkig zonder auto en nu zijn we binnen een half jaar alweer aan onze tweede auto toe. Het kan verkeren. Voor de goede orde: de eerste auto is er op ingeruild dus we hebben er nog steeds maar een voor de deur staan.
De Citroën ZX heeft telkens nieuwe kuren en dat houdt maar niet op. Op het laatst moet Afke met de handrem goochelen om de auto bij een stoplicht aan de praat de houden, doet de ventilator het niet meer, en zitten we met angst en beven te wachten op de volgende verrassing.
Bij onze garage staat een kleine Suzuki Swift die vele jaren jonger is en nog net betaalbaar blijkt. Na een proefritje is de conclusie snel getrokken: weg met de heerlijk rijdende maar veel te onberekenbare Citroën. Die heeft ons overigens per kilometer geen cent meer gekost dan we begroot hadden dus het geleden leed is niet financieel maar betrof vooral de toenemende onzekerheid bij iedere autorit.
Op naar Apeldoorn met de nieuwe auto om te kijken hoe mijn vader er bij ligt. Van mijn moeder weten we dat hij afgelopen week erg suf en afwezig was. Als ik hem zie schrik ik toch nog. Ik herken hem wel maar de blik in zijn ogen vind ik vreemd. Die blik en ook de rest van zijn gedrag doen mij en Afke denken aan mijn eigen capriolen na het innemen van het antidepressivum Cipramil.
Ik schreef daar al eens over. Een half uur na de eerste inname leek het of ik Parkinson kreeg. De volgende dag van hetzelfde maar toen ging het ook gepaard met psychose-achtige verschijnselen. Ik had het gevoel dat ik LSD had gebruikt en een onplezierig tripje ging maken. Ik was niet meer in staat om echt contact te maken met Afke en had allerlei vreemde gevoelens, gedachten en waarnemingen. In overleg met een weekendarts ben ik maar weer snel gestopt met dit middel.
Hier moet ik weer aan denken als ik mijn vader zie liggen. Nadat het bezoekuur voorbij is krijgen we nog net even de afdelingsspecialist te pakken en ik vraag hem over de medicatie van mijn vader. Ik weet van mijn moeder dat hij medicijnen kreeg of krijgt tegen een delirium en mogelijk ook iets tegen somberheid.
Tegen zijn deliriale verschijnselen blijkt hij Haldol te krijgen in een extreem lichte dosering. Tegen zijn somberheid krijgt hij, jawel hoor, Cipramil. Hetzelfde middel dus waar ik zo vreemd van ging doen. Voorzichtig vertel ik de arts over mijn eigen gevoeligheid voor dit middel en vertel verder dat mijn vader zelf al eens heftig reageerde op een ander antidepressivum.
De arts is blij met de informatie en besluit ter plekke om er dan maar snel mee te stoppen. Hij is erg open, ook over zijn eigen gezoek, geweeg en gewik, en dat stellen we bijzonder op prijs. Hij realiseert zich terdege, net als wij, dat ook de stemming van mijn vader erg belangrijk is voor een verbetering van zijn toestand en hoopte die stemming op deze manier te verbeteren. Als hij echter overgevoelig is voor de groep van zogenaamde 'serotonine heropnameremmers', en dat lijkt wel zo uit eerdere ervaringen, wordt hij er waarschijnlijk alleen maar slechter van.
Wat we dan wel moeten doen om hem op te peppen ontdek ik als ik min of meer uit wanhoop versjes van Kees Stip ga voorlezen. Dat moeten we dus doen. Mijn moeder ziet met tranen in de ogen hoe mijn vader, ondanks dat hij soms bijna lijkt te stikken in zijn eigen slijm, een tevreden uitdrukking krijgt als ik hem een paar malle dierenlimericks van deze taalkunstenaar voorlees.
Mijn vader heeft het werk van Kees Stip altijd erg gewaardeerd en wilde op een fietsvakantie in het noorden van Nederland zelfs beslist door Siddeburen fietsen om het beeldje 'de bok van Siddeburen' te bekijken. Op internet vind ik een paar van zijn dierenversjes, waaronder die over de bok van Siddeburen. Vanwege de vele spelling- en andere taalgrapjes zijn de versjes naar mijn idee het beste zelf te lezen maar er zijn er zeker bij die zich prima laten voordragen. Het boekje wat ik van hem in huis heb is 'Beestenboel van Trijntje Fop'.
Op de terugweg van het ziekenhuis zie ik bij Staphorst een mooi doel voor mijn eerstvolgende fietstochtje: een pas geplaatste melkstal. Zo'n keet met een licht gebogen dak waar vroeger, en in Staphorst kennelijk nog steeds, de koeien in het land gemolken werden. Je ziet ze weinig meer en dat alleen al is een goede reden om er een keer een fotogalerie van samen te stellen. Mijn huidige verzameling is nog te klein voor een leuk overzicht dus ben ik hard op zoek naar iedere melkstal in de omgeving.
Het tweede pijltje van mijn spelletje 'ezeltje prik waar fiets ik heen' treft doel in de Gesteentetuin op Schokland. Daar moeten zo zoetjesaan orchideeën staan te bloeien. Ik vermoed dat het nog net iets te vroeg is maar het kan geen kwaad om alvast een kijkje te nemen. Nu is het alleen nog een kwestie van lijntjes trekken van ons huis naar de Staphorster melkstal, dan naar Schokland en dan weer naar huis. Zo ontstaat een aardige en afwisselende route die ik echt op geen enkele andere manier had kunnen verzinnen.
De voorspelde regen en harde windstoten lap ik aan mijn laars en dat is terecht tot op Schokland. In de Mastenbroekerpolder zet ik een Scholekster op de foto in een voorbeeldige actie als was ik een geoefende sportfotograaf. In een lichte regenbui maak ik tegelijkertijd een klittenbandje van het dekje los, rem af, pak de camera en steek die net onder het dekje door.
Precies als ik stilsta kan ik een keer afdrukken, daarna is de vogel alweer gevlogen. Ik heb vandaag ook nog geluk: de vogel is onbewogen en haarscherp. Als ik weer verder wil rijden blijkt dat ik maar een ding vergat tijdens deze actie: terugschakelen. De fiets staat in een 'wind mee verzet' en is voor mij amper nog op gang te krijgen.
Via Kampen en Ens fiets ik gemoedelijk door de buien naar Schokland. Hoewel, gemoedelijk... De stoplichten net buiten Ens zullen nooit meer omwaaien want die worden door mij volkomen stijfgevloekt. Daar is alle tijd voor in de twee cycli dat ze me negeren. Dit flikten ze me al vaker, ooit zal ik werkelijk wraak nemen.
Op Schokland vind ik geen orchideeën en ook andere macro-opnames vallen door de toenemende regen wel erg in het water. Ik geef het op en hoop maar dat de camera tegen een beetje water kan want hij is ongemerkt wel erg nat geworden. Vanaf Schokland laat ik me door de harde wind zo'n beetje naar huis blazen terwijl ik her en der nog een koe, windmolen of boswal op de foto zet.
Net voor Steenwijk gaan twee gele kwikstaartjes uitdagend voor me op het fietspad zitten. Echt dichtbij komen mag ik niet want dan vliegen ze op en strijken plagerig een paar meter verder neer. Wat hebben kwikstaartjes toch met asfalt en beton, dat moet ik ze toch nog eens vragen.
Wat bezielt me eigenlijk? Ik heb een therapie-afspraak ergens in Friesland en de radio voorspelt heel veel regen en heel veel wind. Moet ik daar echt heen met de fiets? Heb ik nog steeds iets te bewijzen dan? Ik geloof het niet. En ik liet me graag brengen met de auto maar mijn privéchauffeur heeft soms ook andere dingen te doen. Dan rest alleen nog een rit met trein en bus.
Als ik kan kiezen tussen OV en fiets is het voor mij niet moeilijk meer. OV is kaartjes kopen bij een automaat, daar schiet ik vaak lekker door in de stress, als het al foutloos lukt. OV is reizen met andere mensen om je heen, telefoons, roken, walkmans, jongeren. OV is wachten en hopen op tijdig vervoer en de gelukstreffer van een kloppende aansluiting. Allemaal dingen om bang voor te zijn. Huuh, ik trotseer liever het weer en mijn slappe lijf. Als ik maar gestaag door blijf trappen kom ik heus vanzelf weer een keer thuis, dat ik hier zit te schrijven is het bewijs. Ik kan er bij liggen, dat scheelt ook een stuk.
Ik neem bij vertrek een flinke voorsprong op mijn eigen schaduw en ga een half uur eerder weg dan strikt nodig is. Extra tijd voor foto's of een traag lijf, dat merk ik onderweg wel. Bang geworden door de slechte voorspellingen begin ik te fietsen met het schuimdekje op maar na een half uur moet ik lachen om mezelf. Er is in geen velden of wegen een regenlucht te zien en het is 15 graden, heerlijk fietsweer dus. Ik heb me laten beetnemen door de radio! Stel je voor, als ik 'verstandig' was geweest zat ik me nu te verbijten op het station in Heerenveen.
De wind mag zeker stevig genoemd worden, daar moet ik de radio gelijk in geven. Voor de zekerheid heb ik een lege 5 liter jerrycan in de fiets gedaan. Als het echt gierend uit de hand dreigt te lopen met de wind kan ik die in een sloot vullen en aan de windzijde in de fiets leggen als extra ballast. Ik heb wel een paar spannende momenten onderweg maar de jerrycan komt er verder niet aan te pas.
Ik rij pal langs het Tjeukemeer met de wind dwars van opzij. Dat is toch wel een belevenis. Bij een bankje stop ik en maak een paar foto's van de golven. De wind blaast overal dwars doorheen en na een paar wapperige minuten klauter ik verkleumd weer in mijn knusse fietsje. Verder is het eindeloos ploeteren tegen de wind in met af en toe een verrassend en zeer welkom stukje wind mee.
Op de terugweg is het foute boel: mijn benen hebben op de een of andere manier helemaal geen zin meer om te fietsen. Na twintig kilometer ploeteren met wind mee, dit is zelfs voor mij ongekend, heb ik een mooie omschrijving bedacht. Het voelt alsof er vanaf mijn heupen twee rubber slangen naar beneden lopen die uitkomen bij mijn voeten. Die voeten zijn dan wel weer min of meer normaal, maar die benen... Gelukkig heb ik de terugweg bijna helemaal wind mee zodat ik toch nog enige voortgang boek.
Ik maak me over mijn lijf geen zorgen want zodra ik uitstap is het rare gevoel weg. Waarschijnlijk is het weer zo'n typische psychosomatische Dekker-truuk. Wat mijn onderbewustzijn hier misschien wel mee wil zeggen ga ik al niet eens meer over nadenken, het is allemaal poppenkast.
Mijn therapie heeft me de trucjes misschien nog niet afgeleerd maar ik weet wel steeds beter hoe ik er mee om moet gaan: niet boos om worden en vooral niet te veel aandacht aan geven. Dus kijk ik zo min mogelijk op de teller, probeer te genieten van alles wat ik buiten de fiets om me heen zie en laat mijn lachwekkend slappe beentjes rustig hun rondjes draaien. Dat zal ze leren. En krek als het niet waar is, aan het einde van de dag ben ik weer keurig bij mijn eigen huis. Zie je wel, zo gaat het nu altijd, niets om me ongerust over te maken.
Mijn vader baart me meer zorgen. Van mijn moeder hoor ik dat hij afgelopen maandag 'deliriaal' werd. Beestjes zien en zo. Misschien waren de beestengeluiden die hij Zondag liet horen toch een bedekte voorbode? Ik weet het niet hoor, hij leek me toen echt vrij helder en goed te pas.
Op de Intensive Care houden ze niet van een delirium dus hij is meteen 'platgespoten'. Nu hebben ze geen kind meer aan hem, hij is alleen nog maar wazig, moe en suf. Mijn moeder vraagt zich aan de telefoon voorzichtig af of dit nu echt nodig was en ik heb ook zo mijn twijfels. Door zijn sufheid is de ademprikkel ook weer verminderd, zo komt hij nooit van die machine af natuurlijk.
Mijn vorige weblogsel viel in zulke goede aarde bij een trouwe lezer dat hij er een berichtje aan wijdde op de ligfietsmailinglijst. Hij raadt daar aan om mijn weblog vooral te blijven volgen. Ik voel me zeer vereerd door zijn berichtje en zal mijn best blijven doen om lezenswaardige dingen te schrijven.
De termen 'ondertoon' en 'wanhopig' vallen. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Het wanhopige is niet echt de bedoeling maar ik kan me er zeker wat bij voorstellen. Ik word geregeld wanhopig van mezelf dus waarom zouden anderen dat niet hebben.
De genoemde ondertoon is waarschijnlijk vooral de zoetzure saus van zelfspot waar ik mijn wanhoopsstampot tegenwoordig mee serveer. Als het er beter door weghapt bewijs ik iedereen een dienst. Ik kan lekker mijn hart blijven luchten en anderen hebben er in zekere zin vermaak aan, da's dubbel profijt, een mes aan twee kanten en een win-win situatie. Wat wil een mens nog meer.
Wat wil een mens nog meer? Nou, dit bijvoorbeeld: meedoen met stoere pummels die 300 of 400 km op een dag wegtrappen op hun fietsjes. Daar teken ik voor hoor. Op de mailinglijst van Plat Zwolsch, een Zwolse vrijbuitersclub van ligfietsers, komen diverse verhalen en verwijzingen voorbij van oude rotten en kersverse randonneurs. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik stikjaloers op ze ben.
Om het nog maar niet te hebben over de snelheden die daar genoemd worden. Daar wordt een mens niet eens meer jaloers van, daar wordt een mens gewoon diep wanhopig van. Als het nog erger wordt met me ruil ik mijn Quest maar in voor een paar wandelschoenen en ga over op de wandelsport want zo langzamerhand begin ik het blazoen van de kwieke Quest een beetje te bevlekken en dat wil geen mens op zijn geweten hebben.
Kom, ik ga eens een stukje fietsen. Dat denk ik geregeld en ik schrijf er hier ook vaak en graag over. Toch klinkt het eenvoudiger dan het soms in de praktijk is.
Eerst moeten er oefeningen gedaan worden om de stramme spieren en pezen iets soepeler te krijgen. Daar fiets ik geen spat harder door maar het vermindert de kans op blessures wel. Vervolgens moet de fietsbril met anticondens ingesmeerd, even liggen drogen en dan met een zachte doek opgewreven. Ik liet dit laatst zitten omdat ik geen zin had en had prompt onderweg last van beslagen ramen. Net terwijl ik foto's probeerde te maken dus het was nog lastig ook.
Als de bril schoon en fris klaar ligt moet ik beslissen hoe ver ik wil fietsen en aan de hand daarvan bepalen wat ik aan eten en drinken meeneem. Op kortere afstanden volsta ik met een liter water, een dubbele plak koek en een krentenbol. Verwacht ik wat langer onderweg te zijn dan gaat er meestal een tweede liter water mee, heel soms sap maar 'ons bent zuunig', twee plakken koek en twee krentenbollen. Boterhammen zelden, we bakken het lekkerste brood van de wereld maar onder het fietsen krijg ik het amper weggekauwd.
En de banaan natuurlijk, die zou ik bijna vergeten. Bananen zijn een probleem op zich. Ik weiger andere dan Max Havelaar bananen te kopen maar de verkrijgbaarheid daarvan laat in Steenwijk nog wel eens te wensen over. Soms zijn ze er niet, soms zijn ze veel te groen, en soms zijn ze overrijp. Bananen op voorraad houden gaat niet altijd goed dus grijp ik wel eens bij vertrek naast de banaan of zit ik onderweg met tegenzin een melige bruine hap weg te werken. Zelfs fietsen is soms afzien...
Als ik pech heb staat de Quest in de schuur omdat ik aan het einde van de vorige rit heb besloten dat de fiets nu toch echt noodzakelijk onderhoud nodig heeft. Dan moet ik eerst nog aan het stellen, smeren en pompen. Gelukkig komt dit weinig voor.
Wat wel vaak voorkomt is dat ik onderweg in mijn hoofd zorgvuldig een lijstje maak wat me allemaal niet meer van mijn fietsje aanstaat. Ik neem me dan voor dit thuis onmiddellijk op te schrijven en morgen of overmorgen dat onderhoudslijstje af te werken. Eenmaal thuis en uitgestapt vergeet ik meestal prompt deze voornemens, inclusief wensenlijstje. Soms kan ik nog net bedenken dat er van alles moest gebeuren maar in vredesnaam, wat was het ook allemaal weer.
Natuurlijk kan ik niet fietsen in mijn gewone kleren maar moet ik speciale fietskleding dragen die mij comfort en status verschaft. De status van een gezonde kerel die niet bang is voor een stevig ommetje. Voor vertrek dient dus bedacht te worden welke kleding voor het heersende weer het meest geschikt is.
In mijn hoofd heb ik daar in de loop der jaren allerlei tabellen voor verzonnen, compleet met onder- en bovengrenzen. Ik zal niet dolmakend uitweiden over ieder kledingstuk maar de hoofdband bijvoorbeeld wordt gedragen bij temperaturen onder de 10 graden. Is het 's morgens 8 graden en gaat het lekker opwarmen dan is het lastig, maar meestal gaat de hoofdband dan op en na een uurtje weer af.
Dit hele circus geldt ook voor de lange fietsbroek, de lange onderbroek, de extra dikke lange onderbroek, het fietsshirt en het fietsshirt met lange mouwen. En zo wil het nog wel eens voorkomen dat ik al geheel over mijn toeren ben voordat ik ook maar een meter gefietst heb. Al die beslissingen en keuzes, een mens zou er mal van worden.
Het ergste moet echter nog komen: ik moet beslissen waar ik heen ga fietsen. De afstand is misschien al eerder bepaald maar verder kan het letterlijk nog alle kanten op gaan. Afke begrijpt dit probleem nooit zo goed. Je gaat toch gewoon lekker een stukje fietsen, wat maakt het nou uit waar je heen gaat? Dacht ik er zelf ook maar zo makkelijk over.
Ik was pas nog in het Zuiden, dus die kant kan ik echt niet op. Maar met deze wind is dat wel het lekkerste en het Noorden moet ik volgende week toch al heen, dus dat valt vandaag zeker af. Het Westen dan? Geen zin in. Dan blijft alleen Oost nog over, maar daar zijn ze net zo raar met de weg bezig dat ik uit moet stappen en een stuk lopen. Toch maar naar het Zuiden dan?
De beste oplossing die ik gevonden heb is om met opzet helemaal niet meer na te denken welke kant ik op zal gaan en gewoon op de bonnefooi weg te rijden. Moeilijk, maar ik kan het wel als ik mijn best doe. Het is verbazend wat voor leuke plekjes ik dan soms ontdek.
Als dan eindelijk alle benodigde rommeltjes en frutsels als telefoon, teller, camera en portemonnee verzamelt zijn en in een plastic zak gepropt kan ik mijn fiets inladen en vertrekken. Heerlijk, kan ik weer even bijkomen van alle beslommeringen van mijn drukke bestaan.
Mijn vader staat deze week in het middelpunt van mijn belangstelling. Zelf ademhalen is er aanvankelijk nog niet bij voor hem. Voor de tweede keer proberen ze een stoma in de keel aan te brengen. Dit moet onder narcose waar hij helaas weer verder van verzwakt. Of de keelstoma nu schoner blijft moeten we afwachten maar het ziet er nu nog netjes uit.
Als ik vanmorgen op de IC kom wacht me een grote verrassing. De ogenschijnlijk halfdode kabouter is tijdelijk van de beademingsmachine af en praat opeens een paar woorden. De toonhoogte is vreemd en het klinkt afgeknepen maar ik hoor onmiskenbaar mijn vader tegen me praten. Tranen schieten me in de ogen en ik ben even helemaal van de kaart.
's Middags hebben ze hem vlak voor het bezoekuur in een rolstoel gehesen zodat hij eens iets anders doet dan liggen. Hij praat nog niet veel, is daar veel te moe voor, maar weet wel onverwacht een grijns op zijn gezicht te toveren. Als ik teruggrijns doet hij achtereenvolgens een geit en een poes na. Nee, hij is niet malende, dit is vermoedelijk normale communicatie tussen Dekkers in zware tijden. Zijn humor is dus nog niet helemaal vergald en dat geeft ons allemaal een oppepper. Hoe het verder zal gaan weet niemand, Wegener kan een zeer grillig verloop hebben, maar deze grijns heb ik toch weer mooi binnen.
Op de ligfietsmailinglijst vraag ik om advies voor een nieuwe achterband op de Quest. Dat is maar goed ook want ik blijk niet meer helemaal bij te zijn. De twee modellen die me favoriet leken, de Tioga Comp Pool en de Schwalbe Marathon Slick, worden niet meer gemaakt, zijn dubieus van kwaliteit of amper te krijgen. Het zal dus wel iets anders worden.
De Vredestein Perfect Moiree krijgt van mij na bijna 8000 km een dikke 7. Het is een zeer slijtvaste band die goed lekbestendig lijkt. Kwa rijgedrag lijkt ie me vergelijkbaar met de 50 mm Big Apple van Schwalbe. Een van de nadelen van de Moiree is dat de Quest wat moeizamer gaat sturen. Eerst begreep ik daar niets van, later ontdekte ik dat de band zijdelings ook erg soepel is. Hierdoor gaat de Quest wat meer zwalken op het achterwiel en wordt de besturing indirecter.
Een andere velomobilist meldt blij te zijn met een dikke achterslof omdat hij dan meer uitzicht heeft (de kont van de fiets komt iets omhoog immers), ik vind het hoger zitten juist vervelend omdat ik door de steilere zithoek net wat meer zitklachten krijg. Met een 40 mm Vredestein HPV band was het stoeltje perfect, met de 50 mm Vredestein Perfect Moiree zit ik net iets meer rechtop en kreeg heel af en toe een zere kont. Omdat het stoeltje met geen mogelijkheid nog vlakker kan zal ik het waarschijnlijk toch maar bij een iets kleinere achterband houden.
Via mijn email krijg ik van de Fietsersbond het verzoek om aanvullingen te geven op een klacht die ik in 2005 plaatste bij hun meldpunt 'mijn slechtste fietspad'. Men wil met name weten of de klacht inmiddels verholpen is. Ik heb nooit meer aan deze klacht gedacht en stel tot mijn verbazing vast dat het fietspad waar ik over mopperde inderdaad opnieuw geasfalteerd is. Ik kan me niet voorstellen dat dat met mijn melding te maken heeft maar toch zou het kunnen natuurlijk.
Met hernieuwd enthousiasme bezoek ik het meldpunt van de Fietsersbond en kaart nog enkele punten aan. Stel dat het helpt... Ik neem mij voor om voortaan wat minder op slechte wegen te mopperen en in plaats daarvan de meest beroerde situaties netjes en gedetailleerd bij de Fietsersbond te melden. Als iedere veelfietser dit deed zou dat op den duur toch wel eens resultaat kunnen hebben.
Op 4 Mei is er tussen de bezoeken aan mijn vader door tijd voor een fietstochtje door Drenthe. Het is nog steeds prachtig fietsweer met wel een vrij stevige wind. Ik schiet weer volop foto's van ploegende, eggende en kalk spuitende boeren. Het is zo door en door droog op de akkers dat bijna iedere activiteit gepaard gaat met fotogenieke stofwolken, soms tot ver aan de horizon.
Tussen Zwiggelte en Westerbork staat een boer in zijn eentje op het land te wieden. Ik stop, maak eerst wat foto's en dan een uitgebreid praatje. Het is droog ja, maar de problemen vallen nog erg mee. Ter vermaak is hij door zijn schoonzoon naar deze akker gestuurd om een stukje ongewenst aardappelgroen weg te halen. De aardappelrestjes hadden dood moeten vriezen, maar er kwam geen vorst, en nu lijden de jonge bieten onder de opschietende aardappels.
Ik veronderstel dat het moeilijk wordt voor de bieten als er deze zomer meer droogte komt maar daar blijk ik me in te vergissen. Door deze vroege droogte wortelen ze veel dieper en kunnen ze in de zomer meer droogte hebben. Een nat voorjaar met een droge zomer geeft meestal meer problemen, dan hebben de bieten te ondiep geworteld om de zomerdroogte aan te kunnen. Leerzaam en leuk, zo'n praatje.
Vanwege de datum, 4 Mei, komt de oorlog ook nog even aan bod. Veel gebeurde er niet in Mantinge, een timmerman uit de familie kwam hier als de bliksem de boerenknecht uithangen om niet naar een werkkamp in Duitsland gestuurd te worden en met de bevrijding zag hij voor het eerst chocoladerepen die de Canadezen royaal aan de kinderen gaven. Verder werd men hier vooral met rust gelaten. Honger leden de boeren natuurlijk niet, ze konden zichzelf prima bedruipen.
Tijdens het gesprek kom ik er niet om heen om te vertellen dat ik arbeidsongeschikt ben wegens psychische klachten. Daar heeft de oude boer kennelijk mee te doen want als ik afscheid neem wordt me nadrukkelijk en tot twee maal toe het allerbeste gewenst, hetgeen mij dan weer ontroerd natuurlijk.