Sommige moppen zijn vooral leuk omdat ze zo verschrikkelijk flauw zijn en dienen alleen al daarom eindeloos herhaald te worden. 'Wij gingen op vakantie maar we gingen niet' valt in die categorie dus na een jammerlijk mislukte poging eerder dit jaar probeer ik het gewoon opnieuw. Ik ga op vakantie. Ik wil het wel maar ik durf het niet en ik kan het niet en daarom ga ik toch want ik ben flink. Met trillend lijf help ik mee met inpakken en stijf van de zenuwen laat ik me in de bijrijdersstoel zakken.
Als dat maar goed komt allemaal. Aan mij zal het niet liggen, of eigenlijk juist wel. De paklijst is drie keer herzien en uitgeprint, complexe afkruis- en doorstreepsystemen zijn verzonnen en bijna alles zit neurotisch geordend in kunststof kratten. Gas, water en licht zijn hermetisch afgesloten en vijf keer gecontroleerd, er is een back-up van een back-up van het fotoarchief gemaakt en geseald en aardbevingsbestendig verpakt gaat dat mee op reis. Stel je voor dat in mijn afwezigheid het huis afbrandt, je moet er niet aan denken. Ik moet er wel aan denken, de hele tijd zelfs.
Over de afsluitdijk maak ik me weinig zorgen, die heb ik ooit eens per fiets verkend en toen was het er veilig dus gedurende dat stukje kan ik een klein beetje ontspannen. Maar als Den Oever in zicht komt zet ik me weer schrap. Ik wordt geacht de auto foutloos naar de veerkade in Den Helder te TomTommen en het is maar helemaal de vraag of ik dat wel kan. Maar het woud van verkeersborden met een bootje erop is moeilijk over het hoofd te zien dus ook zonder mijn zenuwachtige richtingsadviezen waarbij ik telkens de begrippen 'rechts' en 'links' door elkaar haal zou het waarschijnlijk helemaal goed gekomen zijn.
Voor ik het weet zit ik in een auto die op een boot staat en voor ik het weet rij ik weer van die boot af. Tranen springen me in de ogen want dit is een heel bijzonder moment: voor het eerst in vele jaren ben ik weer op vakantie. Het is gelukt om de flauwe moppen achter mij te laten, ik heb het geflikt, ik ben over de grens en opeens heel ver weg. Waarschijnlijk is dit buitenland want de taal is ook anders, de 'x' spreek je hier namelijk uit als dubbel 's'. En als de heimwee en de paniekaanvallen mij met rust laten ga ik hier een paar dagen keihard genieten.
Er is besloten tot een korte vakantie om mijn zenuwen niet al te veel op de proef te stellen en de lekke versleten tent is maar op zolder blijven liggen. Van kampeerbeest tot huisjesmuis, vooral het idee is even wennen. Behalve de enorme financiële aderlating is het verschil verder klein, het huisje blijkt na zware hoosbuien zo lek als een vergiet en het water loop langs de muren. Maar het geluk is met mij, camera's en andere kostbare apparatuur lagen niet in de plots ontstane binnenhuiskwelder die snel ingepolderd wordt met dweilen, vazen en afwasteiltjes.
Het eiland zelf is een openbaring. Ik had een platgetrapte toeristenbende verwacht met overal vlaggetjes en ijscoborden maar de kleurendrukte blijkt zich vooral te beperken tot het dorpje De Koog en een aantal strandtenten. Wat overblijft is een zeer uitgestrekt en schitterend duingebied en een cultuurlandschap om je vingers bij af te likken. Overal staan hokjes en schuurtjes die smeken om op de foto te mogen en de heuvels met tuunwallen onder Den Burgh doen denken aan verre buitenlanden.
Het blijkt allemaal veel te veel voor een paar dagen, ik loop en fiets me een ongeluk om in elk geval de meest interessante dingen te zien en ik gedraag me als een japanner. Snel verder als het plaatje gemaakt is, het genieten komt thuis wel. Dat laatste is niet waar want ik geniet voor tien. Vooral bij de Slufter, de opening in de duinen die rechtstreeks in verbinding staat met de Noordzee, haal ik mijn hart op. Ik zie er meerdere keren lepelaars fourageren en krijg zelfs de kans om ze van vrij korte afstand te fotograferen.
Ik lijk net iets te vroeg voor de gehoopte zee van orchideeën die hier zouden groeien want ik kom niet verder dan drie exemplaren bij elkaar. Ook moet ik een aantal slooprijpe schuurtjes jammerlijk aan mijn neus voorbij laten gaan omdat er domweg geen tijd en energie genoeg is om alles te zien en te fotograferen. Volledig uitgewoond pak ik na een paar dagen mijn kratjes weer netjes in en kruip op de bijrijdersstoel. Er zijn genoeg redenen om dit eiland nog eens met een bezoek te vereren, dus wie weet.
Op de terugweg meent mijn vrouw naast zich iets heel vreemds te horen. Werd daar echt iets gemompeld over 'misschien ooit daar een stacaravan kopen'? Natuurlijk ontken ik ten stelligste, kom op zeg, ik ben geen watje. Ik was toch die stoere wildkampeerder die ooit het hele Britse schiereiland in een maand deed met een zwaar bepakte racefiets? Alsof het nog niet gênant genoeg is dat mijn vrouw mij op een elektrofiets kreeg waar ik notabene nog plezier aan beleefde ook. Dergelijke zaken zijn beslist niet voor publicatie geschikt en ook thuis wil ik het er nooit maar dan ook nooit meer over hebben.
Koopziekte, daar heb ik behoorlijk last van de laatste tijd. Maar dan anders, zoals ik zoveel dingen graag net een beetje anders doe. Ik heb er geen last van dat ik alles wil kopen waar ik de hand op kan leggen, nee, ik ben vooral als de dood om überhaupt iets te kopen. Want er kan altijd onverwacht iets mis zijn met zo'n glimmend hebbeding, om het even welk merkje er op staat. In deze supersnelle tijd worden er geregeld producten gelanceerd die goedbeschouwd nog niet eens uitgevonden zijn, zo'n haast heeft iedereen met geld verdienen en daardoor laat men nog wel eens een steekje vallen.
Juist omdat ik zelf zo handig ben (of eerder was) is het moeilijk om te accepteren dat anderen er vaak zo'n puinzooi van maken. Semiprofessionele camera's met onscherpe zoekers bijvoorbeeld, of imagetanks die na het opslaan van drie foto's al de geest geven. Maar hoe handig je ook bent, het is verdraaid lastig om in je schuurtje uit wat oud ijzer, een versleten fietsachterlicht en een paar kroonsteentjes een digitale camera of imagetank in elkaar te knutselen dus soms moet ik heel flink zijn en mijn koopziekte, eigenlijk is het koopangst, overwinnen.
Die imagetank is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Wie veel foto's maakt heeft veel geheugenkaartjes nodig. Wie zelden geen foto's maakt kan beter over een imagetank nadenken. Dat doe ik dus maar eens uitgebreid en nadat ik uitgedacht ben besluit ik zo'n ding aan te schaffen. Naam en uiterlijk roepen veel weerstand op, het is me allemaal veel te trendy en modern, maar als zo'n ding doet wat ie belooft kan ik er wel eens verdraaid veel gemak van hebben.
Het ding doet echter helemaal niet wat ie belooft dus met dat gemak loopt het in eerste instantie wel los. Halverwege het uploaden van mijn geheugenkaart naar de imagetank krijg ik 'error' te lezen. De gebruiksaanwijzing zegt over deze melding het volgende: 'wanneer u een errormelding krijgt dient de geheugenkaart verwijderd te worden en vervolgens opnieuw in het apparaat te worden gestoken'. Dat doe ik dan maar braaf en opnieuw krijg ik 'error' te lezen waardoor ik mijzelf ook een beetje error begin te voelen. Dit lijkt helemaal niet op het beloofde 'plug-and-play' en 'grab-n-go'.
Ik wilde alleen maar een handig ding om onderweg wat foto's op kwijt te kunnen. Hoe het ding heet en hoe het er uitziet kan me echt geen donder schelen, als ie het maar doet. Ik probeer een andere geheugenkaart en lees weer 'error'. Dan een geheugenkaart van een ander type: opnieuw 'error'. Ik sluit het kreng aan op de computer en probeer een gesprek met de harde schijf van de imagetank op gang te brengen. Geen contact, er lijkt helemaal geen harde schijf in te zitten.
Vele mislukte formatteerpogingen later weet ik dat er wel degelijk een harde schijf in zit en ik weet ook dat die harde schijf corrupt is. Aan de complexe stamboom die ik één keer per ongeluk in beeld krijg kan ik zien dat het apparaat geruime tijd door een ander gebruikt is. Ik neem contact op met mijn leverancier, natuurlijk is ruilen geen enkel punt maar dan wordt het helaas een ander type want ik kocht de laatste uit hun magazijn.
Ik kies liever voor optie twee: het ding retourneren en mijn heil elders zoeken, in dit geval om de hoek bij een plaatselijke dozenschuiver die 'nog wel wat heeft liggen' en het ding 'helemaal voor me klaar zal maken'. Dus zit ik even later met twee imagetanks voor mijn neus. Een nieuwe die stuk is en een nog nieuwere die ik nu ga uitproberen. Die tweede is speciaal voor mij geïnstalleerd en geformatteerd dus vol vertrouwen druk ik er een geheugenkaartje in.
'Error' zegt het kreng. Ik vloek niet, ik huil niet en ik ga niet door het lint wat ik in dit geval best knap vind van mezelf. Ik s-p-e-l de gebruiksaanwijzing, download speciale software die alles aan kan maar dan, dan begin ik de hoop dat ik ooit van een werkende imagetank kan genieten toch echt een beetje op te geven. In wanhoop koekel ik nog wat op internet, vind op een forum de tip om het ding even te demonteren en monteren zodat een eventueel haperende stekker verholpen wordt en sloop het ding dan maar uit elkaar.
Appeltje-eitje en een paar tellen later wordt de harddisk van imagetank 2 gevonden door mijn computer. Wat een opluchting, ik heb nu in elk geval één werkende imagetank. Vol hernieuwd vertrouwen steek ik mijn geheugenkaartje in de sleuf en start het inlezen. Ook imagetank 2 blijkt erg weerbarstig te zijn: 'error' zegt ie. Maar ik ben een harde en geef het stomme kreng via mijn computer het commando om zich nu eindelijk eens onvoorwaardelijk over te geven. Als ik vervolgens de schijfindeling ook nog even listig verander van NTFS naar FAT32 blijk ik het zware gevecht gewonnen te hebben want imagetank 2 draait opeens als een tierelier.
Imagetank 1 gaat per vliegende tering terug naar zijn leverancier en van het geld dat ik hopelijk terugkrijg ga ik binnenkort maar eens een hele dikke ijsco kopen. Heb ik wel verdiend dacht ik zo.
En er zijn meer ergernissen in mijn fotograferende fietsersleven. De enige reden dat bovenstaande mestwagen het fietspad zo idioot blokkeert is omdat boeren simpel zijn en daardoor niet tot tien kunnen tellen. Konden ze dat wel dan zou de enorme container waar deze wagen zijn lading in overpompt zo ver in het weiland staan dat er ook nog een lange tankwagen voor past. Er is echt plek zat daar in dat weiland bij Blokzijl.
Dat blijkt echter een veel te ingewikkelde rekensom voor deze beroepsgroep. Wat ze wel kunnen en vooral durven, waar halen ze eigenlijk de euvele hoogmoed vandaan, is ons vanaf grote reclameborden toeschreeuwen dat zij, en alleen zij, echte liefdevolle zorg dragen voor onze leefomgeving. 'Hoepel op en ga een stuk fietsen', denk ik dan.
Als biologische boeren zich zulke fratsen aanmeten kan ik er nog enig begip voor opbrengen maar de rest van de boerenstand zou echt eens wat minder hoog van de toren moeten blazen. En als ze dan toch aan het minderen zijn weet ik er nog wel een paar. Minder vroeg maaien, minder mest injecteren, minder gif gebruiken, minder varkens op een vierkante meter proppen en minder naar het CDA en de Rabobank luisteren. En natuurlijk wat minder vaak mijn heilige fietspad blokkeren, maar dat spreekt eigenlijk voor zich.
In deze tijd van het jaar is bij bepaalde weersomstandigheden het licht 's morgens van plastic. Ik zeg het natuurlijk verkeerd, licht is niet van plastic, maar het licht is zo dat bijna alles van plastic lijkt. Je vraagt je af of je in een film van Wald Disney terecht bent gekomen waarin op alles een of ander lullig Photoshop-effect is losgelaten.
Die wolken, wat een wolken, je gelooft ze gewoon niet, het lijkt wel een tekenfilm. Tekenfilmlicht, plastic licht, noem het hoe je wilt maar het licht is echt uitzonderlijk mooi en vooral ongeloofwaardig. 'Onze wereld is niet echt, het is slechts een door onze fantasie geschapen illusie'. Ik sta doorgaans vrij kritisch tegenover dergelijke nieuwetijdse vrijdenkerij maar vandaag geloof ik het meteen.
In de wei staan koeien en ik stop. Het is eigenlijk een veel te saai plaatje maar licht en lucht zijn zo apart dat ik er koste wat het kost wat mee wil doen. Ik roep de koeien door naar ze te loeien. Geen respons. Dan ga ik gekke bekken trekken. Geen respons. Het blijft een saaie compositie met in de verte grazende en liggende koeien, hoe mooi het licht ook is.
Ik schiet wat foto's, ben natuurlijk niet tevreden en wacht. Hoewel ik zoals vaker van binnen verschrikkelijk haast heb, er is nog zoveel te bekijken en fotograferen, neem ik toch de tijd. Ik wil iets doen met die koeien, maar weet nog niet wat. Meestal komen ze uiteindelijk wel naar het hek, koeien zijn van nature te nieuwsgierig om een bekkentrekkende en gillende aap te negeren, maar vandaag valt het niet mee.
Uiteindelijk word ik dan toch ontdekt en een paar koeien verwaardigen zich om een kijkje te komen nemen. Dat gaat allemaal zo verschrikkelijk rustig en bedaard dat de lol er voor mij al weer bijna af is, Sta ik me daar nou zo voor uit te sloven. En dan komt er eindelijk een beetje leven in de brouwerij, een koe wil toch wel even aan mij ruiken. Opeens zie ik welke foto ik goed kan maken: de groothoekkoe. Aan het licht zal het niet liggen en ik heb de juiste camera in de hand dus daar gaan we.
Met ernstig gevaar voor koeienspeeksel op lens, camera en voorhoofd buig ik ver over het draad en laat de koe tot op enkele centimeters van de lens komen. De spetters vliegen me om de oren maar de lens blijft wonderwel schoon en ik kan een paar verrukkelijke foto's maken voor de koe aan de lens wil gaan slobberen.
Snel trek ik me terug en bekijk de buit. Een paar foto's zijn overbelicht of bewogen maar er zitten meerdere voltreffers tussen die koe en licht volledig tot hun recht laten komen. Ik bedank de koe die deze lastige maar zeer geslaagde portretsessie mogelijk maakte en klim weer in de fiets. Het mooie licht is nog niet helemaal op maar aan de stand van de zon zie ik dat ik wel een beetje voort moet maken als ik nog andere wereldwonderen smaakvol in beeld wil brengen.
Vandaag maakt het amper uit wat ik fotografeer, overal waar ik kijk knallen de kleuren me tegemoet en als er iets is dat van plastic lijkt zijn het de te vroeg gemaaide weilanden wel. Menig kievit en grutto kijkt verdwaasd om zich heen en vraagt zich af waar zijn nest met eieren of jongen nou toch gebleven is. Veel te vaak is dat nest gewoon door een te drukke boer weggemaaid. Ik kan er weinig aan doen en kijk maar een beetje van ze weg want diep van binnen schaam ik me diep dat mijn ploeterende soortgenoten er zulke vreemde gewoontes op na houden.
Fotografisch gezien is er niets mis met overbemest en te vroeg gemaaid weiland, de kleur van het gras wordt er zo idioot geel-groen door dat je soms je ogen niet gelooft. Ik ken die kleur al een beetje, maar vandaag worden de kleuren door het vreemde ochtendlicht nog net even verder aangedikt.
Zodoende wordt het tweede wereldwonder van vandaag een plaatje voor mijn beruchte serie 'gras-bomen-lucht' waar ik mijn vrouw zo lekker mee kan plagen. Zij houdt heus wel van een beetje gras, van een paar bomen en van een mooie lucht maar ze begrijpt nog steeds niet goed waarom ik van dat trio toch altijd weer zo graag van die duffe oersaaie foto's maak. Of ik het zelf wel begrijp weet ik niet, het is vooral een innerlijke drang waar ik vaak volkomen intuïtief gehoor aan geef. Met mijn welgemeende excuses aan de hier snel afnemende weidevogels kievit en grutto.
Een vriendin die ik al meer dan een half leven ken en die me ooit aan een kamer in Rotterdam hielp stuurt een e-mailtje. Ze wil zuurdesembrood gaan bakken en aangezien iedereen die er toe doet weet dat wij een van de beste zuurdesembakkers van Nederland zijn vraagt ze om een recept. Ik sleep mijn vrouw erbij want als ik me niet vergis werkte zij ooit het allerbeste recept uit voor een of ander vaag zelfvoorzienersblaadje dat we vroeger zelf bij elkaar fantaseerden.
Het zelfvoorzienersblad was mooi opgemaakt, door mij natuurlijk, maar verder voor ons wat hoog gegrepen. Vooral de PR was niet helemaal in orde en bij dertig leden bleef de belangstelling steken. Toen het niveau van de inzendingen afzakte tot zelfgebreide cadeautjes en verhalen in zelfverzonnen Nederlands hebben we het goedbedoelde medium maar snel opgeheven. Ik ben goed gek maar ook dan zijn er nog grenzen.
Mijn vrouw zoekt maar kan niet vinden, waarschijnlijk is het document opgemaakt in het prehistorische WordPerfect tijdperk. Dat klinkt naar grijze haren ja. Als ze niet van ouderdom zijn komen ze ongetwijfeld wel tevoorschijn bij wanhopige pogingen om dat antieke bestandsformaat om te zetten naar iets leesbaars. Ik surf nog eens een rondje oven mijn eigen harde schijf en vind tot mijn opluchting nog een .doc versie. Dat scheelt de helft dus hier komt ie dan, het allerbeste recept voor zuurdesembrood.
We beginnen natuurlijk met de disclaimer. Wie dit met een broodbakmachine gaat doen doet dat geheel voor eigen risico. Alle andere handelingen die voortkomen uit onderstaande receptuur zijn dat overigens ook. Ook tandartskosten kunnen niet op mij verhaald worden. Wie echter zijn gezonde verstand gebruikt zal er hoogstwaarschijnlijk niet aan komen te overlijden, mits het brood maar heet genoeg afgebakken wordt. Dat je niet gaat zeggen dat ik niet gewaarschuwd heb.
Het scheppen van de desem.
Doe in een grote glazen pot (ca. 700 ml) twee eetlepels meel en roer dat met water tot modder. Een kleinere pot kan ook, maar misschien dat het brood dan wat minder snel wil rijzen. Mijn grote favoriet is een lege pot van Monki pindakaas, man wat is die pindakaas lekker. Alleen het laatste restje uit de pot is altijd beuken en hakken maar ook dat heeft wel iets.
Als snelstarter kun je een eetlepel yoghurt toevoegen, dit vermindert de kans op mislukken en maakt vaak dat de desem sneller tot leven komt. Tot leven komen betekent dat de desem belletjes gaat produceren, koolzuurgas meen ik. Die belletjes zijn een van de belangrijkste signalen om op te letten, zolang er geen bellen zijn is er geen leven. Als er wel bellen zijn is er leven, maar het hoeft niet altijd het leven te zijn dat je wou scheppen, want ook andere bacteriën maken gassen. Als de desem naar aceton ruikt is er iets heel erg verkeerd gegaan bijvoorbeeld. Soms is zoiets nog te redden, maar dat gaat te ver voor deze eerste les.
Iedere dag voeg je twee eetlepels meel toe en verdunt weer tot modder met een beetje water. Enige vreemde verkleuringen in het begin, ook een groenige of grijzige laag bijvoorbeeld, wijzen niet perse op bederf, maar het mag geen eigen leven gaan leiden. Binnen enkele dagen zou de desem moeten gaan leven, belletjes moeten vertonen en echt gaan groeien. De geur is dan licht tot sterker friszuur en de smaak ook, als je durft tenminste.
Als je dus pech hebt gaat het een hele andere kant op en gaat het stinken naar aceton of andere rare stoffen. In dat geval heeft de zuurdesem het niet gewonnen en kregen andere bacteriën de overhand. Dan rest slechts het weggooien van je moeizaam geknutselde baggerwezentje. Het valt niet uit te sluiten dat het in de ene woning beter desembouwen is dan in de andere en het bakken van gistbrood en desembrood in dezelfde keuken kan mogelijk ook voor desemproblemen zorgen.
In het goede geval gaat de modder langzaam rijzen. Wanneer de glazen pot na uitrijzen ongeveer halfvol zit kun je de volgende grote stap zetten: het op volume brengen van de desem. Je roert de desem door en vult de modder aan tot de pot weer halfvol zit. Afhankelijk van de temperatuur (max. 40 graden) zal de pot na 3 tot 12 uur volgerezen zijn. Als je desem krachtig is ligt het misschien zelfs al op de vloer want het kruip gewoon tussen het deksel door als het er zin in heeft.
Dan zijn we alweer toe aan het maken van het brood. Hoe lang het duurt om tot dit punt te komen valt erg moeilijk te zeggen. Met de gezonde desemcultuur die we nu alweer enkele jaren in leven hebben weten te houden gaat het erg eenvoudig. Morgen brood bakken is vandaag desem op volume brengen en morgen zit de pot (bij kamertemparatuur) vol. Als je echter vanaf nul moet beginnen ben je mogelijk al snel een week zoet, en wie weet nog langer.
Het maken van het brood.
Vorm invetten met olie. Zware stalen klassieke broodbus geniet de voorkeur vanwege ambachtelijk karakter, elke ander bakvorm voldoet echter ook prima, zelfs een blikken springvorm (geeft mooie boerenmik). Doe meel of bloem in mengkom. Verzin zelf hoeveel want dit is een echt klassiek zelfvoorzienersrecept. Ik neem vijf volle pollepels, en nou weet je nog niks.
Voeg zout toe aan meel (misschien ongeveer een theelepeltje) en roer dat goed door het meel. Desem houdt niet zo van puur zout, dus goed verstoppen tussen het meel. Vul glazen pot die nog vies is halfvol water, maximaal 40 graden, koud water duurt langer met rijzen. Niet uit de kraan, geiser en boiler geven soms zware metalen af. Pot lekker omschudden en het water bij het meel doen.
Modder in mengkom omroeren en bloem of meel toevoegen tot het net niet meer te roeren is. Nu heb je deeg. NIET VERGETEN: een eetlepel van dit deeg terug doen in de omgespoelde desempot. Dat is voor de volgende keer. Goede desem kan op kamertemperatuur één a twee dagen zonder verzorging maar kan het beste elke dag gevoed worden met een kleine lepel meel en wat water. Desem blijft in de koelkast zonder verzorging meerdere weken goed, maar geen maanden.
Deeg uit kom halen en op aanrecht met meer meel op juiste dikte brengen. Er is geen juiste dikte, die bepaal je zelf. Hoe dikker het deeg, hoe droger het brood wordt. Je kunt deeg soepel krijgen door veel en lang te kneden, maar zeer uitgebreide proeven gedurende bijna vijfentwintig jaar hebben bij mij nooit enige smaakverbetering aangetoond. Mijn advies: kneden helpt niet, maak het vooral lekker dun.
Deeg in bakvorm doen en wegzetten met doek of plankje erop. Als de plank omhoog komt ben je waarschijnlijk te laat, het brood moet gebakken worden net voor het zijn hoogste punt bereikt heeft, anders gaat het (te) zuur smaken. Rijzen hangt af van temperatuur en duurt drie (heel snel in oven van 40 graden) tot 10 uur bij lage kamertemperatuur. Rijzen kan ook in hooikist op kruik voor echte liefhebbers van het klassieke werk. Gemorste olie van de bakvorm lost een rubber kruik op den duur op, maar dat terzijde.
Brood bakken, graag zonder theedoek of plank, op ongeveer 220 graden. Erg afhankelijk van type oven, de klassieke takkenbosoven met aflopende temperatuur is het beste maar helaas niet in ons bezit. Als je eerste brood verschrikkelijk lekker is klopt er mogelijk iets niet, mijn lekkerste brood bakte ik pas na ongeveer twintig jaar toen ik het allerbeste meel ontdekte en 'enige ervaring' had opgedaan.
Dat allerbeste meel is overigens gewoon te koop bij molen De Lelie in Ommen. Geen Eko keurmerk, wel biologisch, en heel betaalbaar. Met wat geluk vind je ook goed meel in eigen omgeving. Minstens de helft van de smaak van je brood hangt af van de kwaliteit van je meel, onderschat dat niet. Het meeste meel, ook biologisch, is van slechte tot zeer slechte kwaliteit want veel te heet gemalen of van papgraan gemaakt.
Als je het brood dat je nu koopt lekker vindt zou ik zeggen: begin er vooral niet aan. Tegen de tijd dat je het echt goed onder de knie hebt ben je toe aan je kunstgebit en daardoor toch al aangewezen op pap en vla. Ik heb al mijn tanden nog omdat ik heel jong begon met bakken maar ook voor mij heeft het zelf bakken van zuurdesembrood zijn keerzijde: ik lust niets anders meer.
Al het andere brood in de wereld is te smerig voor woorden en voor mij niet meer eetbaar. Overal zit te veel lucht in en te weinig smaak aan, en elke commerciële boterham gaat volledig naar de vernieling als ik er de allerlekkerste pindakaas van de wereld op probeer te smeren. Alleen mijn zelfgemaakte desembrood kan elke kritiek doorstaan, dat houdt zelfs stand tegen de allerlaatste keiharde resten uit de Monki pindakaaspot. Kom daar maar eens om in de winkel.
Zelden liet ik mijn lezer zo in verwarring achter als aan het eind van mijn vorige verhaaltje. Dat was beslist geen opzet, waarschijnlijk was ik nog zo onder de indruk van de grote camera-ruiltruck dat ik het zelf niet meer helemaal helder voor ogen had.
Na mijn eigen twijfel komt er bevestiging per email. Een lezer laat weten nog wel een compleet digitaal systeem voor me te hebben liggen dat ik voor een prikkie mag overnemen. Maar ik bedank vriendelijk voor het genereuze aanbod want ik ben op dit moment juist ruimer voorzien dan ooit tevoren. Een ander vraagt mij in vertwijfeling af met welke camera ik nou uiteindelijk naar huis ging. Tijd dus voor meer duidelijkheid.
Ik ging naar huis met de Olympus E620 en noemde het een schattig damescameraatje omdat de handgreep zo klein is. Dat is in de mode en dus vinden mensen het gaaf en tof maar ik denk er natuurlijk weer anders over en dreef er dus de spot mee. Ik hoef heus geen lompe bak in mijn klauwen maar de handgreep van de E510 paste mij zo goed dat de E620 wel heel erg wennen is.
De oplossing voor dit lastige meningsverschil heb ik ook al verzonnen en als Olympus hier meeleest, maar waarom zouden ze, kunnen ze hun voordeel doen met deze geniale gratis ontwerptip. Maak de handgreep verwisselbaar en lever die in meerdere maten. Ooit zal men zich verbijsterd afvragen waarom we dat niet altijd al zo deden, tot die tijd is het telkens even wennen geblazen.
De nieuwe camera moet natuurlijk geprobeerd worden, en dan niet dat miezerige getest en geneuzel bij de boekenkast maar gewoon buiten in de keiharde werkelijkheid. Een nieuwe camera uitproberen én een stuk fietsen is voor mijn stroeve hoofd op dit moment net wat te veel van het goede dus het wordt een klein ommetje in de buurt.
Hoe snel loopt een bergschoen vol? Daar is niet zomaar een eenduidig antwoord op te geven, het is immers afhankelijk van allerlei externe factoren. Is de schoen strak geveterd, hoe is de onderhoudstoestand van de schoen, hoe diep wordt de schoen in het water gedompeld en zit er wel een voet in.
Er zit inderdaad een voet in, de mijne, en die voet wil even voelen of ik ergens veilig kan staan. Met twee digitale camera's om mijn nek, beiden voorzien van een vrij prijzig stukje glaswerk, 'voel' ik of ik veilig in een stukje moeras kan staan en ga er daarbij dom genoeg op voorhand vanuit dat dat inderdaad kan. Een volkomen gestoorde aanname want als ik al wist dat ik er kon staan hoefde ik niet te voelen. Er is dus duidelijk sprake van ernstige interne verwardheid.
De bergschoen loopt snel vol, heel erg snel. Ik schat in een halve seconde, kan dat kloppen? Er zit dus een voet in, de schoen is strakgeveterd en het leer is redelijk waterdicht. De zool heeft echter last van de beruchte 'fotografen-knik' wat wil zeggen dat ie halverwege doormidden is gebroken. Er valt nog redelijk mee te lopen, maar waterdicht is anders. Als de zool nog heel was geweest had me dat niet veel geholpen want ik stap tot ver over de rand van de schoen in het water.
Ik schrik niet, ik ben vooral verbaasd. Over mijn eigen domheid. Ik trek mijn voet terug, val niet in het water, wat gezien de versierselen die ik om heb hangen een bijzonder prettige bijkomstigheid is, en moet hard lachen. Dit nu is mijn eerste volwaardige fotografendoop en het is een goede. Men kan zich werkelijk geen schoner water wensen, hier aan de rand van de Woldberg bij een oude Pingoruine vol kwelwater en levend hoogveen.
Van het fotograferen van witsnuitlibellen krijgt men blijkbaar erg hete voeten want lang voordat dat goed gelukt is is de schoen alweer droog. Het zal wel aan de 'fotografenknik' liggen die voor extra ventilatie zorgt. De libel krijg ik er niet helemaal naar mijn zin op, ze zijn druk en schuw en ik ben veel te gretig vandaag.
Uit frustratie ga ik later midden in het bos cameraatje pesten door een foto te maken die niet kan. Een rottig glimmende beuk waar een straal keihard middagzonlicht op valt in een verder zwaar beschaduwd bos. Zo'n foto kan niet omdat het verschil tussen licht en donker veel te groot is en vooral omdat een gladde beukenstam zoveel microreflecties geeft dat lens en camera er knettergek van worden. Er komt heus wel een plaatje uit, maar dan wel fonkelend van lelijkheid.
De E620 met 50-200 lens geeft echter geen krimp en zet het er gewoon op, en goed ook. Toegegeven, de boom op de achtergrond is door het contrast niet meer te zien, dat dynamische verschil kan zelfs dit toestel nog niet overbruggen, maar de gemeen belichte beuk blijft ook op de foto fier overeind staan. Ik ben sprakeloos want dit is naar E510 maatstaven echt onmogelijk rotlicht.
Je moet er toch niet aan denken dat het verschil tussen E510 en E620 in elke situatie zo groot is want dan kan ik weer alles opnieuw gaan fotograferen. Dat zal vast wel een beetje meevallen en tijdens het ontwikkelen van de witsnuitlibel ontdek ik tot mijn teleurstelling, maar ook wel een beetje tot mijn geruststelling, dat de E620 er wat ruis betreft tenminste niet zo spectaculair op vooruit gegaan is.
Mijn tussentijdse evaluatie van de E620 luidt voorlopig : klein maar fijn.
Op mijn camera zit een zoeker. Misschien niet zo groot en helder als op de bakbeesten van de echte stoere kerels maar hij is wel haarscherp. Tot ik een nieuwe camera koop. Zelfde merk, alleen een ander nummertje. Van E510 naar E30, dat is precies één klasse hoger, dus ook vast een beetje beter. Denk je dan.
Heb er lang over gepiekerd want ik vind nieuwe dingen altijd eng. Er kan van alles mis zijn en als dat niet zo is is het toch altijd weer flink wennen, zo'n nieuw ding in je leven. Mijn hoofd is nogal stroef geworden de laatste jaren en in wennen ben ik niet zo goed meer. Maar voor ik dapper kan gaan wennen gaat er meestal eerst een heleboel mis, waarschijnlijk heb ik daar ooit ongemerkt een abonnement voor afgesloten.
In de winkel is er even lichte twijfel, is die zoeker wel helemaal scherp. Maar ik ben zo gespannen dat ik mag en moet aannemen dat het daar aan ligt. Gewoon zo'n dag met lastige ogen. Thuis vergelijk ik oud en nieuw nog eens op mijn gemak. Dat valt niet mee. Hoe ik ook aan de knopjes draai, de zoeker van de E30 is met geen mogelijkheid helemaal scherp te krijgen. Bijna scherp, ongeveer scherp en zo goed als scherp. Het behoort allemaal tot de mogelijkheden maar haarscherp zoals bij de E510 zit er domweg niet in.
Ik slinger de computer maar eens aan en Google mijzelf de wereld rond. Heb ik pech in mijn eentje of houden we het gezellig? We houden het nu eens lekker gezellig. In Australië is een serie teruggeroepen: zoekerproblemen. Elders hebben mensen hun nagelnieuwe E30 laten repareren: zoekerproblemen. Ik ben dus niet de enige en de probleemomschrijvingen die ik lees herken ik maar al te goed. Net niet helemaal lekker scherp.
Olympus zou het probleem inmiddels onderkend en opgelost hebben en alles is teruggeroepen en gerepareerd. Of toch weer niet, er duiken opnieuw mensen op die zeggen een E30 met onscherpe zoeker gekocht te hebben. Ik weet niet goed wat ik er allemaal van denken moet, op internet gaan heel wat broodjes aap gratis en voor niets over de toonbank, maar mijn eigen zoeker is en blijft wel degelijk wazig. Te wazig voor serieus macrowerk en dus te wazig voor mij.
Ik mag in de winkel een andere E30 komen proberen. Ruilen is geen enkel punt, het is een goede winkel. Ik krijg een rood hoofd van schrik als ik door die andere zoeker kijk. Ruilen gaat mij vandaag niet helpen want ik zie geen enkele verbetering. Bijna scherp, behoorlijk scherp, best wel vrij scherp. Maar niet dat rustgevende haarscherpe van mijn E510. Wat te doen...
Wil ik mijn geld misschien terug? Welnee beste fotozaak, tuurlijk niet, ik moet echt een andere camera en het liefst vandaag nog. Mijn vrouw adviseert om vooruitlopend op mijn succesvolle carrière als natuurfotograaf alvast een professioneel model te kopen.
Dit is nu zo'n uitgelezen moment om terug te grijpen op de gulden waardoor alles ineens twee keer zo duur lijkt. Ben je helemaal een haartje, ik ben wel goed maar ik ben niet gek. En dan val ik een keer net wel in het water als ik achter een libel aanzit en ben failliet. De verkoper moet lachen en merkt zeer terecht op dat de E3 van Olympus nu juist één van de beste camera's is om mee in het water te vallen want dat ding kan gewoon mee onder de douche.
Ik geef me gewonnen, denk nog even met weemoed aan de gulden en dan, dan doe ik het lekker toch niet. Kruideniersbloed, cententellen en schrapen, altijd weer dat schrapen. Voor één E3 heb je twee keer een E620. En ik hoef er maar ééntje, tel uit je winst.
Zo kan het gebeuren dat ik mijn favoriete fotozaak, Cameranu in Urk, verlaat met een schattig damesmodelletje van Olympus met veel te kleine priegelknopjes, minibatterijtjes en een handgreep die voor peuters ontworpen lijkt. Als dat maar goed komt tussen ons.
Lekker scherp hoor, die zoeker, dat wel.
'Kun je daar ook mee op het water fietsen?', vraagt een oudere mevrouw me plompverloren. Ik ben nog maar net op gang aan het komen dus ik sta zo weer stil om antwoord te geven. Doe nou eens een keer lekker gek man, zeg dat dat inderdaad kan en verzin vervolgens een volslagen gestoord verhaal waarvan die vrouw zich de rest van haar leven af zal vragen of dat nou wel kan kloppen.
Maar nee hoor, supersulletje geeft weer keurig het enige juiste antwoord. 'Nee mevrouw, je kunt er alleen mee op het land fietsen'. Bah, wat ben ik weer saai vandaag. Bij de Grenspoel is het ook al saai, geen verrassende bloemetjes, alleen de reeds bekende geoorde fuut en wat juffers en libellen. Ken ik al, heb ik al, hoef ik niet meer. Die geoorde fuut krijg ik toch niet groot genoeg in beeld, daarvoor moet je een halve dag met je buik in de modder gaan liggen wachten en dat gaat me toch net even te ver.
Bij een andere poel op het Doldersummerveld heb ik eerder deze morgen al op knieën en ellebogen in de slijmerige drek gelegen en dat is me meer dan stoer en vies genoeg. Ik zie er weer uit als een beest. Had geen keus, moest wel, want een grote libel was op een pitrusstengel aan het uitsluipen. Uitsluipen wil zeggen dat het beest uit zijn oude larvehuid aan het kruipen is, wat in mijn ogen een bijzonder knap staaltje is en ook heus niet helemaal vanzelf gaat.
Mijn fiets staat aan de andere kant van het poeltje en ik ben zonder camera op inspectie naar onbekende witte bloemetjes die achteraf waterranonkel blijken te zijn. Ik kan hollen wat ik wil maar ik ben precies te laat om het uitsluipen vast te leggen want als ik voorzien van apparatuur weer bij de libel kom heeft deze zich al bevrijd.
Verder heb ik geluk, er is zonlicht en weinig wind dus vanaf statief kan ik goed mijn gang gaan en het dier uitgebreid fotograferen. Wel moet ik er dus voor op mijn knieën en ellebogen door het slijk kruipen maar dat merk ik natuurlijk pas als ik weer opsta. Vooral tijdens macrofotografie ga ik volkomen op in mijn onderwerp en sla hooguit af en toe een mug van mijn hand.
Na het uitsluipen moet de libel zijn vleugels nog oppompen met een soort bloed dat in dit geval groen lijkt te zijn. Waarom er druppels lekken weet ik niet, laten we maar hopen en aannemen dat deze libel zelfdichtende aders heeft. Mijn 'Veldgids Libellen' zegt er niets over maar ik heb die geheimzinnige groene druppels al eens eerder gezien bij een jonge juffer.
De kleine serie hieronder van telkens hetzelfde exemplaar laat goed zien hoe de vleugels van verschrompelde velletjes in ongeveer een half uur al een heel eind opgepompt zijn. Op het uitharden van de vleugels heb ik niet meer gewacht, dat kan nog enkele uren duren en daar had ik echt het geduld niet voor.
Al herhaaldelijk heb ik hier zitten kakelen over hoe scherp een foto kan zijn en hoe scherp een foto zou moeten zijn. Heel scherp, want ik ben heel erg. Nog steeds ben ik over dit onderwerp niet uitgekakeld. Zo langzamerhand durf ik er op te vertrouwen dat het met die lenzen van mij wel goed zit want geregeld leveren ze haarscherpe foto's af, als ik mijn werk maar netjes doe. Statief gebruiken als je te veel beeft, juiste diafragmainstellingen en nog zo wat dingen. Zo hoort het ook en het is echt enorm genieten als ik de haartjes op de neus van een vlinder bijna kan tellen. Bijna, want ze zijn eigenlijk nog net een beetje wazig. Ordinaire doorgedraaide gekte? Wie zal het zeggen.
Maar zoals ik eerder al met mijn inmiddels beruchte beweegfoto's heb laten zien hoeft het van mij echt niet altijd hyperhaarscherp te zijn, soms is een beetje vage vegerigheid ook heel verfrissend. Bovenstaande opname is ook weer zo'n trucfoto waarbij ik tijdens het openstaan van de sluiter de zoomlens verdraai. Statief, F22, 1/4 seconde, de beste opname uit een serie van 15. Die F22 maakt trouwens dat ik stof op de sensor ontdek maar daar ga ik even niet op door. Ditmaal zo'n effectfoto binnen het macrobereik, wat voor mij nog helemaal nieuw is.
Maar zelfs zonder gezocht gedoe met gedraai en geschuif van lenzen weet een onscherpe foto af en toe bij mij door de selectie te glippen en de beeldbank te halen. Ik zou het met alle plezier functionele onscherpte willen noemen ware het niet dat die term al door een andere fotograaf verzonnen of herverzonnen is.
Die fotograaf wordt op dit moment door velen als een van de beste Nederlandse natuurfotografen gezien maar omdat ik het toevallig een vrij matige en vooral opschepperige fotograaf vind ga ik hier niet eens zijn naam noemen en al zeker niet zijn dure taalgebruik overnemen.
Volgens mij is het een vrij middelmatige fotograaf met vooral een erg goed gevoel voor marketing en dan ben je natuurlijk al snel de beste. Goede wijn behoeft geen krans maar middelmatige wijn in mooie flessen verkoopt stukken beter. Bier gaat zelfs per krat. Zelf ben ik natuurlijk hele dure champagne die nog een poosje moet rijpen.
Ik heb mijn eigen dure taalgebruik waarvan ik het liefst zoveel mogelijk zelf verzin want dat is veel leuker. Zelf je eigen vocabulaire in elkaar knutselen, wie wil dat nou niet. Ik ken iemand die daarin zover gaat dat niemand hem meer begrijpt. Sommigen menen dat hij knettergek is. Ik vertrouw er maar op daarvoor behoed te worden door mijn lezers.
Een goed alternatief voor 'functionele onscherpte' vinden valt nog helemaal niet mee. Vooral dat 'functioneel' vind ik waardeloos trouwens. Ik kom zelf niet verder dan 'gewilde onscherpte' of 'bewust bewogen' en hou me aanbevolen voor betere suggesties. Onderstaande foto is overigens helemaal niet gewild onscherp, want een paar bloembladpuntjes zijn wel degelijk scherp. Minimale scherptediepte heet het dan en dat is echt wat anders dan helemaal onscherp.
Soms zit er zo'n mooi mislukt plaatje tussen mijn dagopbrengst dat ik verbaasd ben zoiets aardigs op mijn eigen geheugenkaart te vinden. Wat een ontspannen onscherpte, wat een heerlijk laconiek en gemoedelijk beeld. Heeft deze strakgetrokken krampneuroot dat bij elkaar geschoten? Dat moet dan haast wel per ongeluk gebeurd zijn. Maar al te vaak is dat inderdaad het geval, veel van mijn mooiste sfeerplaatjes zijn vergissingen of mislukkingen die achteraf gezien toch nog heel aardig uitpakken.
Juist daarom is het een verschrikkelijk slechte gewoonte om in het veld de beelden al te beoordelen op zulke details en ter plekke weg te gooien. Want pas op een groot beeldscherm is tot op de pixel te zien of een opname misschien toch net wel iets in zich heeft dat het beeld de moeite waard maakt. Hoeveel mooie foto's zou ik op die manier al weggegooid hebben?
Zolang ik nog steeds lichtjaren achterloop met het ontwikkelen van mijn foto's maak ik me er maar niet al te druk om. Er zijn altijd weer nieuwe foto's die gemaakt kunnen en moeten worden en dat zal ik doen ook. Had ik in mijn eerste fotojaar nog zorgen dat ik ooit uitgefotografeerd zou raken omdat ik alles wel gehad had, nu weet ik wel beter. Hoe meer ik fotografeer, hoe beter ik leer kijken, en hoe beter je kijkt, hoe meer er te fotograferen valt. De visuele vicieuze cirkel zeg maar, naderend tot oneindig en wie weet goed voor de rest van mijn leven.
Ik hoor het geroezemoes al aanzwellen. Heb je hem weer met zijn vocabulaire. Inderdaad, heb je mij weer. Enig idee wat dat is, een bryoloog? Ik wel, sinds eergisteren. Ik voelde mezelf al heel geleerd omdat ik weet wat een mycoloog is, dat is een paddenstoelen-geleerde, maar het kan altijd weer spannender. Een bryoloog is een mossenkundige. Dat je het maar even weet.
In de buurt is een verschrikkelijk gezellige voorjaarsfair waar mijn vrouw heen wil. Omdat in mijn beleving bij zoiets de nadruk op het woord verschrikkelijk ligt word ik vrijgesteld van dat uitje en neemt een vriendin mijn plaats in. Want daar heeft een vrouw vriendinnen voor, om samen mee naar een verschrikkelijk gezellige voorjaarsfair te gaan.
De fair is nog drukker dan dat ie gezellig is maar daar heb ik dus gelukkig allemaal geen last van. Het levert me echter wel een presentje op in de vorm van een afgeprijsd boek over mossen. Waar zo'n fair al niet goed voor is. 'Je zei laatst toch dat je geen mos bij naam weet' zegt mijn vrouw. Ik zei dat laatst helemaal niet maar schreef er over op dit weblog. En zo ontdekken we samen verbijsterd dat een deel van onze interne communicatie onbedoeld al via internet loopt. Het moet niet veel gekker worden.
Het voorwoord geeft hoop in de bryologische duisternis waar ik nog in leef want de 'Veldgids Mossen' van de KNNV is volgens zichzelf vooral bedoeld voor de beginnende bryoloog. Ha, dat ben ik dus, en ik blader snel het boek door op zoek naar het enige mosje dat ik bij naam ken: rode heidelucifer. Is dat even een vieze tegenvaller, mijn favoriete mosje staat er niet eens in. Ik spit alle registers door maar de rode heidelucifer staat er echt niet in.
Dat lijkt me een onacceptabele tekortkoming en ik wrijf al in mijn handen bij de gedachte dat ik één van mijn topfoto's van de rode heidelucifer samen met mijn commentaar naar de uitgever stuur. Die ontdekt vervolgens mij en vooral mijn adembenemende foto's en binnen mum van tijd ben ik een zeer gewaardeerde maar toch vooral erg goed verkopende (en dus veel geld verdienende) natuurfotograaf waardoor wij eindelijk kunnen verhuizen naar een buurt zonder blaffende rothonden. Want zo gaan die dingen soms.
Dan lees ik ergens in de introductie dat rode heidelucifer een korstmos is. Nou en, denk ik eerst nog in mijn overweldigende onwetendheid, een korstmos is toch ook een mos? Mispoes, een korstmos is geen mos, een korstmos is een samenlevingsverband tussen een alg en een schimmel. Tuurlijk joh, wist ik wel, ik was het alleen even vergeten. Paragraaf 1.1 van de Veldgids Mossen vermeldt niet wat de Latijnse naam voor korstmossenkenner is, daarvoor zal ik de Veldgids Korstmossen moeten raadplegen. Want die bestaat ook voor de dolenden onder ons.
Hemeltjelief, dus als ik straks het verschil weet tussen het bos-kronkelsteeltje en het grijs kronkelsteeltje kan ik bij de korstmossen gewoon weer van voor af aan beginnen. Ik weet eerlijk gezegd niet of ik dit nog wel zo leuk vind allemaal. Ik had me bij natuurfotografie toch iets eenvoudigers voorgesteld, iets met afgetrapte bergschoenen, vieze broeken en een canvas rugzak, maar dit lijkt een hele verkeerde kant op te gaan.
'Die korstmossengids hadden ze ook liggen hoor', zegt mijn vrouw, 'maar dit leek me al een heleboel om mee te beginnen'. Daarom hou ik van mijn vrouw, zij begrijpt me tenminste.
Ach en wee, het gaat weer helemaal mis met mij de laatste tijd. Het losbandige fotograferen 'voor de vuist weg' wordt sluipenderwijs verdrongen door een zeer strakke planning die bijna van dag tot dag aangeeft waar ik een kijkje moet nemen omdat een zeer specifiek plantje of diertje aan de beurt is voor een fotosessie wegens bloei, geboorte of andere markante gebeurtenis.
In mijn geval is die benadering echter volstrekt foute boel want door de zelfgefantaseerde werkdruk kom ik nog weer strakker in mijn lijf te zitten en dat is wel het laatste waar ik op zit te wachten. Het is weer die ellendige voorjaarskriebel waar ik zo'n last van heb en mijn gevoel dat het dit jaar nog veel erger is dan vorige jaren kon wel eens kloppen. Men zegt dat het een extreem warme aprilmaand geweest is en daardoor heeft veel bloeiend spul het bloemetjesfeest in slechts enkele dagen afgewerkt. Daar valt ook door mij niet tegenop te fietsen en fotograferen.
Ik doe verschrikkelijk mijn best om het zeer verboden fotografische wensenlijstje uit mijn hoofd te bannen maar dat lukt maar zeer gedeeltelijk. Zo knaagt de nog niet gefotografeerde bloei van de kraaiheide ergens in mijn achterhoofd een gaatje en ook over de esdoorn maak ik me nog steeds zorgen. De meidoorn lijkt het nu met iets minder zon wat rustiger aan te doen dus daar heb ik nog wel even de tijd voor.
Dat van die esdoorn is trouwens nieuw, zoals zoveel nog steeds nieuw voor me is. Vorig jaar ontdekte ik voor het eerst dat een eik ook bloeit en dit jaar is de esdoorn aan de beurt. Huh, bloeit die ook dan? Alle bomen bloeien, dat weet ik ook wel of ik mag op zijn minst geacht worden het te weten maar het is toch weer iets heel anders om dan ook te weten hoe dat er precies uitziet, om het over het fotograferen van bloeiende bomen nog maar niet te hebben. Ik wil een hoogwerker voor mijn verjaardag. De gewone esdoorn heeft op dit moment schitterende groene bloeiaren, ze vallen me dus dit jaar pas voor het eerst op, en ik wist ze nog niet naar mijn zin te fotograferen. Staat dus nog op het verboden lijstje.
Maar de paardenkastanje kan ik wegstrepen want daar maakte ik deze week een paar aardige plaatjes van. 'Van dichtbij', ik citeer mijn vrouw even, 'is de witte paardenkastanje eigenlijk maar een lelijke truttige bloem met al die bonte kleuren'. Ik geef toe, het doet allemaal wat gekunsteld en overdreven aan en de kleurcombinatie kan zonder meer de strijd aangaan met kardinaalsmuts maar ik vind het nog wel wat hebben ook. Ik ben altijd al dol geweest op veel en felle kleuren. De rode paardenkastanje is echter een stuk smaakvoller, daar zijn we het hier thuis snel over eens. Bestaan die ook dan? Ja, die bestaan ook. Binnenkort geheid in meervoud op mijn beeldbank te vinden.
De moeraswolfsmelk, ik ken hem al wat langer maar was hem weer helemaal vergeten, staat bij uitzondering slechts kort op het illegale lijstje. In de Wieden ontdek ik een pol die er fraai bij staat maar ik heb geen telelens mee en kan er daardoor niet meer van maken dan: 'rietland met in de verte iets wat aan moeraswolfsmelk doet denken'. Daar doen we het niet voor en binnen een paar dagen ben ik met de juiste apparatuur weer ter plaatse voor het echte werk. Die bliksemactie gaat wel weer ten koste van de zoektocht naar bloeiende kraaiheide, alles heeft zo zijn prijs.