Ik zit wat voor me uit te associëren op het woord panorama en kom, geheel tot mijn eigen verrassing, bij Panamarenko uit. Dus alvorens het opscheppen over mijn zoveelste panoramafoto kan beginnen eerst maar eens een klein stukje over deze bijzondere Belgische kunstenaar.
Volgens het tentoonstellingsoverzicht op zijn eigen website heb ik in 1978 voor het eerst kennis gemaakt met zijn werk in het Kröller Müller museum op de Hoge Veluwe. Ik had nog maar weinig kunst gezien in mijn leven en wat ik gezien had vond ik braaf, suf en stoffig. Zijn verzameling bij elkaar gefantaseerde auto's, luchtbalonnen en vliegfietsen die geen van allen werkten waren een verademing voor me. Er bleken ook grote mensen te bestaan die alles niet zo serieus namen en er nog steeds lustig op los fantaseerden en die door anderen dan toch weer heel erg serieus genomen werden.
Ik wist opeens heel zeker wat ik later wilde worden: kunstenaar, en dan net zulke gekke dingen maken als Panamarenko. Wist ik veel dat er meer komt kijken bij zoiets dan alleen maar wat fantaseren, tekenen en knutselen. In de rest van mijn leven ben ik Panamarenko weinig tegengekomen maar een poosje geleden zag ik een aardige documentaire over hem op de televisie.
De man zelf viel een beetje tegen, ik had me bij hem kennelijk al een vast omschreven beeld gevormd, maar ook zijn recentere ontwerpen maakten nog steeds veel indruk op me. Die vrijheid en creativiteit in denken, en dat dan juist op technisch gebied. Nog steeds een verademing voor me en iets om diep van binnen best een beetje jaloers op te zijn. Bij mij moet alles het altijd doen, en het liefst nog goed ook. Ik ben van binnen veel te degelijk voor echt aardige fratsen.
Ik kom onverwacht bij hem terecht vanwege mijn associaties met het woord panorama, niets om je verder zorgen over te maken en ik ben ondanks mijn grote bewondering voor hem niet van plan om zijn pad te volgen door bijvoorbeeld de eerste volledig biologisch afbreekbare velomobiel te gaan ontwerpen die helaas nog niet kan rijden, om maar eens een slappe zijstraat te noemen.
Panorama's, daar begon het allemaal mee dit keer. Sommige mensen moeten altijd overdrijven en ook ik ben er zo een. Als ik me beroerd voel denk ik dat ik dood ga en als het eens wat meer meezit waan ik me in de hemel. Ook bij het maken van panoramafoto's loop ik inmiddels weer vet te overdrijven. De digitale plaktechniek krijg ik zo aardig onder de knie dat ik verder wil, en vooral meer. Grenzeloosheid, daar heb ik behoorlijk last van ja.
Bij mijn eerste panoramafoto was ik helemaal gelukkig en tevreden met een succesvolle 'stitch' van drie opnames maar dat is al lang verleden tijd. Het moet breder, veel breder. Ik maak de foto's tegenwoordig meestal niet meer liggend maar staand. Dat geeft nog weer meer resolutie, heerlijk al die pixeltjes, maar er zijn daardoor wel meer opnames nodig om aan dezelfde beeldbreedte te komen.
Dus ga ik naar series van vijf, zeven en zelfs negen foto's. De computer begint af en toe te sputteren maar ik ben niet meer te stuiten. Op Texel ben ik zo onder de indruk van de weidsheid van kweldergebied de Slufter dat ik die ruimte er tegen elke prijs op wil krijgen. Ik begin netjes links bij de duinenrij en draai met vaste hand al fotograferend net zo lang door tot ik rechts weer duinen in beeld krijg. Vijftien.
Jawel, heus waar, VIJFTIEN staande opnames. Ik ben gek, knettergek. Maar de verrukkelijke lege ruimte van de Slufter heb ik wel naar mijn zin in beeld gevangen. De computer heeft er een hele middag voor nodig om al die leegte middels complexe berekeningen onzichtbaar aan elkaar te plakken en de nabewerking die daarna nog nodig is gaat zo verschrikkelijk moeizaam dat ik me plechtig voorneem om nooit maar dan ook nooit meer zo'n idioot groot panorama te maken. Ben ik nou helemaal gek geworden zeg.
Vanaf dat moment probeer ik mijn panoramawoede een beetje te beteugelen. Dat is knap van mezelf, vooral omdat ik geen starre uitgecijferde limiet verzin. In plaats van mezelf een onzinnige en willekeurige begrenzing op te leggen van maximaal acht foto's per panorama besluit ik gewoon heel volwassen en soepel dat het wel een beetje minder mag en het lukt me vrij aardig om me daar aan te houden.
Natuurlijk blijf ik overdrijven, zo ben je of zo ben je niet. Dus neemt de breedte van de panorama's af, maar het aantal dat ik er schiet neemt juist toe. Als ze niet zo breed hoeven te worden blijken veel meer situaties zich prima te lenen voor een geplakte fotoserie. Koeien in de wei, een graanakker, de molen in de Weerribben, je kunt het zo gek niet bedenken of er valt een aardig panorama van te schieten. En dat doe ik, met veel enthousiasme en in het veld vooral niet denkend aan al het doodsaaie werk dat er elke keer weer achter te voorschijn komt.
Welk jongetje wil er nou niet voor zijn verjaardag twee mooie graafmachines hebben, en dan nog wel een rode en een gele. Ikke wel hoor. Mijn grijze haren verraden dat ik eigenlijk al een beetje buiten de doelgroep van speelgoedgraafmachines val maar dat geeft niks want dit zijn geen speelgoedgraafmachines maar echte grotemensendingen.
En 'voor mijn verjaardag' heeft in dit geval ook een iets andere betekenis, ik vind ze namelijk op de dag voorafgaand aan mijn verjaardag. Ook als fotograaf ben ik toch vooral een groot klein kind dat overal op zoek is naar mooie kleurtjes en die probeert te verzamelen waarbij het me maar weinig uitmaakt of het om een graafmachine of om de kleine vuurvlinder gaat.
Die kleine vuurvlinder krijg ik vandaag een stuk voor de graafmachines te zien als ik mijn Quest met miezerige priegelpech aan de kant moet zetten. Miezerige priegelpech is dat mijn fietsschoen blijft haken achter het slangetje van mijn zelfgeknutselde luchthoorn, iets lulligers is toch bijna niet te verzinnen. Dat komt niet zomaar hoor en ik heb jaren met die toeter rondgereden zonder problemen dus soms krijg ik toch nog wel iets voor elkaar.
Deze morgen heb ik echter de dop van de enorme druktank, een petfles van anderhalve liter, vervangen omdat de vorige dop begint te lekken en nu zit het slangetje niet meer helemaal zoals het hoort. Ik leg de Quest op zijn kant in de berm en ben een poosje aan het prutsen voor ik de boel weer op orde heb. Als ik opsta zie ik eerst sterretjes en als ik me omdraai zie ik een kleine vuurvlinder zitten. Zomaar langs een drukke verkeersweg in de polder bij Scheerwolde. Als ik niet gestopt was had ik hem nooit gezien. Natuurlijk moet deze kleurige verrassing fotografisch vastgelegd worden.
In een wegberm ter hoogte van Vollenhove zie ik een prachtige pol gele rolklaver en terwijl ik even aarzel of ik wel alweer in een wegberm wil gaan liggen fotograferen zie ik een blauwtje, dat is een vlindertje, boven de klaver fladderen. Dat maakt de keuze een stuk eenvoudiger dus ik stop en monteer de macrolens.
Een andere ligfietser stopt om een praatje te maken en vraagt me om welk vlindertje het precies gaat. Ik moet hem in het veld het antwoord schuldig blijven want zelf kom ik voorlopig niet verder dan 'een soort blauwtje'. Dat lijkt misschien al heel wat maar in mijn ene vlinderboekje staan 26 soorten blauwtjes en in een ander boekje nog veel meer. Zelfs de kleine vuurvlinder behoort tot de familie van blauwtjes en daar zit verdomd weinig blauw aan hoor.
Het lijkt erop dat ik hier midden in het territorium van deze blauwtjes zit want ze laten zich door mij niet erg van de wijs brengen en blijven de hele tijd in de buurt rondhangen. Als ik te snel beweeg vliegen ze op en gaan op een volgende pol klaver zitten waar ik dan op mijn dooie gemak heen kruip voor een volgend portretje.
Na deze tweede succesvolle vlindersessie ben ik later midden in het Voorsterbos wat minder succesvol. Vorig jaar zijn er weerschijnvlinders gesignaleerd en ik stel me zo voor dat ik 'even' naar de genoemde plek fiets waar de zeldzame vlinders natuurlijk gewillig op me zitten te wachten want mijn roem als toegewijde vlinderfotograaf gaat altijd sneller dan ik fietsen kan.
Midden in het Voorsterbos valt de ontvangst een klein beetje tegen. Er zitten geen rijen weerschijnvlinders smachtend op me te wachten en verder is er alleen een saaie parkeerplaats en een druk zwembad met domme stampmuziek. Ik vind deze omgeving zo weinig inspirerend dat ik niet eens stop maar over de parkeerplaats een rondje draai en snel weer maak dat ik wegkom. Die weerschijnvlinder lijkt me bij nader inzien toch meer iets voor nog meer toegewijde vlinderfotografen dan ik. Vergeleken met hen ben ik slechts een luie onderuitgezakte velomobilist met een camera naast zijn stoel die af en toe een lekker kleurig plaatje schiet, niks meer en niks minder.
Bij dezen, die n hoort er echt officieel achter te staan, bied ik mijn excuses aan voor het zomerweer van de afgelopen tijd. Het is af en toe bar en boos en doet denken aan een ouderwetse prutzomer van ver voor de klimaathype. In wezen, ook met een n dus, is het pure hoogmoed dat IK daar mijn excuses voor aanbiedt, maar ik kan het niet laten.
De laatste weken heb ik thuis zo verschrikkelijk zitten kniezen, mokken en somberen dat ik me echt afvraag of dat misschien zijn weerslag heeft gehad op het zomerweer. En zelfs als ik er echt part noch deel aan heb spijt het me nog steeds voor alle inlandse vakantiegangers die over de camping moeten waden.
Ondanks mijn geworstel met de zin van mijn bestaan, dat rond mijn geboortedag altijd tot een hoogtepunt lijkt te moeten komen, ondanks die eeuwige worsteling dus laat ik me niet al te veel intimideren door de weervoorspellingen en waag het erop met mijn Quest. De eerste bui laat niet lang op zich wachten maar ik vind net op tijd een boom waaronder ik het min of meer droog hou.
Op het Dwingelderveld kom ik de schaapskudde tegen en zo te horen loopt ook de schaapsherder te worstelen met de zin van het bestaan. Het is een invalster denk ik en ik hoor haar van verre al schelden en tieren op de vier prachtige schapenhonden die meer interesse lijken te hebben in mijn fiets dan in het op orde houden van de kudde. Ze gaat zo te keer dat ik het niet goed aandurf om een praatje te maken dus ik maak alleen wat telefoto's van de kudde.
Als ze haar enorme paraplu ontvouwt merk ik pas dat het flink regent, zo ging ik alweer op in het fotograferen, en als ik achterom kijk zie ik een zwaar buienfront met bijbehorende waterval naderen. Binnen een paar tellen ben ik doorweekt wat als voordeel heeft dat ik op mijn gemak naar de fiets kan lopen want rennen heeft nu toch al geen enkele zin meer.
Ik maak wat platgeslagen foto's van een verregend Dwingelderveld maar het licht is niet best dus ik ben snel klaar. Dan klim ik in mijn volgelopen badkuip om een eindje verder te klotsen. Wie zich vertwijfelt afvraagt hoe ik mijn kostbare fotoapparatuur in zulke barre omstandigheden in godsnaam droog weet te houden kan ik geruststellen: dat lukt me voor geen meter. De ervaring heeft echter geleerd dat beide toestellen in de praktijk best tegen een drupje regen kunnen en de lenzen zijn zelfs officieel spatwaterbestendig.
Bij zulk onstuimig weer horen natuurlijk onstuimige luchten, voor wat hoort wat. Nog nadruipend van mijn douche midden op de heide sta ik even later bij het Koelevaartsveen de meest bizarre wolkenluchten te fotograferen. Je zou bijna fantaseren dat er in Beilen iemand een kleine atoombom af liet gaan maar daar is de wolk toch nog niet genoeg paddenstoel voor.
Achter me loopt een stel voorbij. De vrouw vraagt zich hardop af wat die man daar nou toch staat te fotograferen, er is niks te zien immers. In gedachten zucht ik een hele diepe zucht. Ik vrees dat aan zulke blinde paarden mijn fotografie niet erg besteed is en omdat ik geen zin heb om ter plekke de cursus 'kijk eens uit je doppen met je ogen open' te gaan geven blijf ik halsstarrig voor me kijken. Wie dit niet ziet is blind, ik kan er echt niks anders van maken.
Nadat de bizarre donderwolk is overgetrokken breekt de lucht heel even open, om snel weer dicht te trekken met de volgende kolkende wolkenmassa. Ik ben nog steeds op het Koelevaartsveen, maar nu aan de andere kant van het zandpad. Ik zie tot mijn verbazing erg veel zonnedauw, wist niet eens dat die hier stond, en moet dan snel al mijn aandacht weer richten op het schouwspel boven me.
Zou het mogelijk zijn, vraag ik me af, om van dit spektakel een panoramafoto te maken? Het antwoord op deze vraag ligt nogal voor de hand: proberen maar. De kans is groot dat de wolken te snel gaan om de foto's later netjes aan elkaar te kunnen plakken en het risico op wisselende belichtingen is natuurlijk ook groot maar ik waag de gok en schiet zo snel als ik kan een kleine serie plakplaatjes.
Bovenstaande foto is een enkelvoudige groothoekopname van dezelfde situatie. Het panorama hou je van me tegoed maar ik kan na het bekijken van de schetsversie alvast verklappen dat het echt de moeite waard is, vooral ook omdat voor het eerst mijn Quest in een panorama geparkeerd staat.
Wat regen betreft hou ik het verder rustig, een spatje hier en daar maar er komt zelfs een moment dat mijn doorweekte fietsshirt vanzelf weer opgedroogd is. Het wolkenfeest gaat echter nog wel even door en langs de Drentse Hoofdvaart is het even voorbij Dieverbrug daarom al lang weer tijd voor een fotopauze. Het licht op de grond is me eigenlijk net iets te mager, maar ook deze lucht is geen ontkomen aan en moet beslist vereeuwigd worden.
Het zit me helemaal niet lekker dat ik vanwege een op zich kleine schouderblessure niet meer goed met mijn velomobiel op pad kan. Het fietsen zelf wil wel maar het instappen is zo pijnlijk dat ik het wel uit mijn hoofd laat.
Was dat maar waar ja, dan zou de blessure ook wel een keertje opknappen. Welnee, ik laat het helemaal niet uit mijn hoofd, ik probeer het natuurlijk gewoon toch en daar worden linker schouder en rechter elleboog niet bepaald gelukkig van.
Het vertrek bij huis is nog net te doen maar eenmaal onderweg wordt iedere klauterpartij pijnlijker dus de meeste fotomomenten laat ik voor wat ze zijn. Ik word er dwars en humeurig van en zin op wraak. Wraak heeft echter niet veel zin, een goede list zou beter zijn. Zinnend op wraak komt die list onderweg schoorvoetend om het hoekje kijken.
Het begint met mijn verwondering over het feit dat ik zonder problemen uit kan stappen, terwijl instappen juist zo pijnlijk en belastend is. Na de verwondering komt de nieuwsgierigheid en ik besluit bij de eerstvolgende keer uitstappen eens goed op te letten hoe ik dat precies doe.
Ik blijk in twee fasen uit de Quest te klimmen. Eerst hijs ik mezelf een stuk op, dan ga ik even halverwege de rug van het stoeltje zitten, verzet mijn handen en druk dan het lange lijf pas echt omhoog. Daarbij maak ik een idioot scherpe hoek met mijn armen die me totaal onmogelijk lijkt maar die ik zonder problemen blijk te kunnen hebben.
De truuk is nu om tijdens het instappen de uitstaphandelingen in omgekeerde volgorde uit te voeren, ben ik nog te volgen eigenlijk, met wat geluk kan ik op die manier zonder foute bewegingen toch in de fiets klimmen. Ik oefen de eenvoudige reeks handelingen die omgekeerd opeens erg complex lijken en als ik het foefje uiteindelijk in de smiezen krijg, want het lijkt echt te werken, voel ik me de koning te rijk. Dat moet gevierd worden en hoe kan dat beter dan met een fietstochtje naar de Weerribben.
Voor de waterleliefoto die ik al jaren globaal in mijn hoofd heb zitten maar nog niet wist te maken blijk ik minder ver van huis te hoeven dan ik dacht. In de Weerribben bloeien prachtige waterlelies maar in een watergang bij een industrieterrein midden in Steenwijk staan ze er nog veel mooier bij. Zo gaan die dingen soms, ik heb het ook niet zelf verzonnen.
De slootkant vol bloeiend koninginnenkruid en akkerdistel ligt ook nog niet in de Weerribben maar daar trekken de tientallen vlinders zich niets van aan. Kleine vos, distelvlinder, koolwitje en dagpauwoog fladderen van bloem naar bloem. Vooral de dagpauwoog heeft mijn belangstelling want het is erg lang geleden dat ik daar een foto van maakte en alleen al vanwege de betere apparatuur zou dat inmiddels stukken beter moeten kunnen. Als ik eenmaal aan de slag ben blijkt dat toch nog tegen te vallen, de dagpauwogen zijn vrij schuw en zitten vooral met dichtgevouwen vleugels en de wind maakt het er ook niet eenvoudiger op.
De distelvlinders laten zich wel vrij goed fotograferen, vooral met tegenlicht krijg je dat prachtige tiffany-effect waar ik zo dol op ben. Ook de distelvlinder krijg ik vanwege de wind net niet haarscherp op de foto maar ik hou mezelf voor dat de kleuren een hoop goed maken. Als ze dan ook nog met zijn tweeën op een bloem gaan zitten hoor je mij verder niet meer zeuren.
Bij de spinnenkopmolen in de Weerribben lopen twee oudere mannen de berm af te struinen, de een met een verrekijker en de ander met een zware camera. Voorzichtig pols ik eens of er misschien iets aardigs te zien is. In eerste instantie zijn de heren niet erg mededeelzaam en even verdenk ik ze ervan dat ze de buit voor zichzelf willen houden.
Pal voor mijn neus maakt een van de heren een distelvlinder uit voor grote vuurvlinder. Nou wil ik ook al heel lang en heel graag een keer een grote vuurvlinder zien maar dit wordt me toch echt te gortig en ondanks zijn tegenwerpingen corrigeer ik hem genadeloos en met grote volharding. Dan is het ijs gebroken. Terwijl we ervaringen uitwisselen vliegt er een zeer kleurige libel voorbij die het gesprek even doet stilvallen.
Als het insect even later voor onze voeten op de grond gaat zitten zijn we het er al vrij snel over eens dat dit een vuurlibel is. Mijn hart maakt een klein sprongetje, niet alleen omdat ik de vuurlibel nog nooit tegenkwam maar vooral omdat het diertje zo verschrikkelijk mooi van kleur is. Wat een kleurenspektakel, dat krijgt zelfs mijn Olympus camera met zijn iets aangezette rood-tinten er maar met moeite op hoor.
Als de heren drie plaatjes hebben geschoten zijn ze dik tevreden. Ze 'hebben' nu ook de vuurlibel en laten me trots de foto's zien. Hoewel ik de camera schietklaar om mijn nek had hangen heb ik weer eens niks voor elkaar gekregen. De plek waar de libel zat stond me niet aan en ik kan ook niet zomaar even omschakelen van sociale kletsstand naar fotografenstand.
Of ik maak een praatje of ik fotografeer maar niet allebei tegelijk zoals deze heren wel goed lijken te kunnen. Even ben ik jaloers op hun veelzijdigheid maar als ze me de foto's tonen is dat snel over. Was ik maar zo snel tevreden, zelfs als die beelden scherp zijn zou ik ze afkeuren. De compositie spreekt niet en van het kleurenfeest is ook bar weinig over.
Vlak voor de heren voldaan wegrijden krijg ik nog een stevige waarschuwing voor tekenbeten, een van hen is besmet met lyme en ondanks extreem zware antibioticakuren lukt het hem niet meer om er vanaf te komen. De Parkinsonachtige tremor in zijn linkerhand heeft niets met Parkinson te maken maar is een van de verschijnselen van deze ellendige ziekte.
Gewaarschuwd voor twee besluit ik nog wat te blijven hangen, die vuurlibel woont hier en laat zich vast nog wel een keertje zien. En zo is het. Maar nu ben ik omgeschakeld naar de fotografenstand en kruipend door distels en schurend gras denk ik al lang niet meer aan teken, haal benen en armen open en maak alsnog foto's van de vuurlibel.
Eerst ligt het prachtige insect nog wat dwars door telkens op lelijke dode grassprieten te gaan zitten maar als ik hem daar even stevig op aanspreek blijkt hij alsnog bereid om betere rustplekken te kiezen. En zo hoort het ook. In eendrachtige samenwerking met de vuurlibel kan ik vervolgens een paar portretjes maken die een aardige aanvulling vormen op mijn fotoverzameling.
Zie je wel dat het werkt. Koud een dag nadat ik op het internet verkondig dat ik mijn oude plastic zakken afwas en ze tot in lengte van jaren hergebruik besluiten een paar tegenvoeters in Australië dat het ook bij hun welletjes is geweest met het gestoorde en zinloze gesleep met grondstoffen van A naar A via Z dus vanaf heden wordt er in Bundanoon geen drinkwater meer in plastic flessen verkocht. Je gaat maar aan de kraan hangen te lurken of je koopt een degelijke bidon en daarmee basta.
Steile gereformeerde lieden die zichzelf bij voorkeur zien als objectief, verlicht en uiterst wetenschappelijk willen natuurlijk niks weten van het verhaaltje van de honderdste aap maar ik ben er juist dol op en zie in bovengeschetste opeenvolging van gebeurtenissen gretig en onmiddellijk het ultieme bewijs. Ik heb mijn grootse milieubewustzijn kennelijk met zoveel kracht de atmosfeer ingeslingerd dat ze er zelfs in Australië niet meer omheen kunnen, als dat geen morfogenetische krachtpatserij is weet ik het niet meer.
In hele grote stappen uitgelegd komt het verhaaltje van de honderdste aap op het volgende neer. Een aap 'ontdekt' dat een gewassen wilde knol lekkerder is dan een zanderige knol. Een andere aap die dat ziet doet het na, is het met de eerste aap eens en wast voortaan ook zijn knollen in een plas water schoon. Dat grapje gaat zo door van aap tot aap, maar op een gegeven moment gebeurt er iets vreemds.
Wanneer de groep knollenwassende apen een bepaalde grootte bereikt lijkt het fenomeen 'knollenwassen' als een onzichtbare energiestroom de ether ingeslingerd te worden en ook apen te bereiken die nog nooit een andere aap hebben zien knollenwassen want opeens beginnen overal in de omgeving op afgelegen eilanden apen hun knollen te wassen.
Volgens aanhangers van de nieuwetijds religie is een en ander zorgvuldig onderzocht en wetenschappelijk vastgesteld en daarmee is wat hen betreft ook meteen maar het bestaan van morfogenetische velden bewezen. Morfogenetische velden zijn best wel fijn om te hebben want je kunt er een hoop verantwoordelijkheid op afschuiven en dingen die je niet begrijpt of niet onder ogen wilt zien kun je er ook mooi mee wegverklaren.
Strict wetenschappelijk denkende mensen, ook dat is voor velen trouwens een religie, achten zich te nuchter voor dergelijke zaken en halen alles uit de kast om het prachtige verhaaltje af te serveren. Ik vind het een goede zaak dat mooie verhaaltjes af en toe op hun waarheidsgehalte onderzocht worden maar het fanatisme (en vooral de hoorbare opluchting) waarmee sommigen het verhaal van de honderdste aap ontkrachten is in mijn ogen minstens zo twijfelachtig als het enthousiasme waarmee nieuwetijds-aanhangers het in leven proberen te houden.
Of het verhaal van de honderdste aap nu wel of niet waar gebeurd is weet ik ook niet zeker. Waarschijnlijk was ik er in één van mijn vorige levens als aap zelf bij want ik meen me vaag iets de herinneren van de enorme opluchting toen het zand niet meer zo tussen mijn kiezen knarste, maar dergelijke vage herinneringen zijn natuurlijk veel te schraal om als bewijsmateriaal te kunnen dienen.
Het verhaal van de verboden plastic flesjes is waarschijnlijk wel waar gebeurd en is in mijn ogen minstens zo bijzonder en ongelofelijk als dat van die honderdste aap. Het voorstel tot het verbod komt namelijk niet van de plaatselijke ligfietsende vegetarische milieuridder maar werd gedaan door de middenstand die zich notabene volkomen bewust lijkt te zijn van de negatieve gevolgen voor de eigen omzet.
Dat is nog eens een wereldwonder. Nu is het alleen nog even afwachten tot de idiotie van de plastic wegwerpwaterfles ook elders op aarde tot het algemeen bewustzijn doordringt. Als het fenomeen van de honderdste aap echt bestaat kan dat niet lang meer duren.
Mijn vrouw doet boodschappen bij 'onze' biologische tuinderij. De verkoopster vraagt haar of ze misschien de vrouw is van die man met die gekke gele fiets. Verbaasd antwoord mijn vrouw bevestigend. Maar hoe kunnen ze dat nou weten, ze is heus niet met die gekke gele fiets want daar past ze niet zomaar even in.
Ze is met een doodgewone paarsblauwe stinkauto en die vent van die gekke gele fiets is in geen velden of wegen te bekennen. Bij nader onderzoek blijkt de identificatie gedaan te zijn aan de hand van oude plastic zakken. Zoiets spannends vraagt natuurlijk om een kleine toelichting.
De aardappels van de tuinderij worden geleverd in doorzichtige plastic zakken met ronde gaatjes. Hoeveel gaatjes er precies in een zak zitten heb ik nooit geteld maar het zijn er in de praktijk eigenlijk net een paar te weinig. Als je de aardappels er in laat zitten zonder de zak te openen gaan ze namelijk al snel schimmelen of rotten. Wij zijn grote viespeuken maar vergeten slechts zelden de aardappelzak bij thuiskomst te openen, daar zijn de aardappels domweg te lekker voor. Heel soms gebeurt het wel, dan eten we voor straf en vooral uit nood een week rijst en macaroni.
De gebruikte en geleegde aardappelzakken zijn dus niet zo geschikt om aardappels langere tijd in op te slaan maar ze blijken wel erg handig om de andere groenten in te doen die bij de tuinderij aangeschaft worden. Het is daardoor dat men in de winkel mijn vrouw aan mij weet te koppelen. Er zijn namelijk slechts twee klanten die zonder enige schaamte komen winkelen met oude plastic aardappelzakken dus die moeten haast wel iets gemeen hebben.
De plastic aardappelzakken gaan verbazend lang mee en het zou me niet verbazen als er een exemplaar tussen zit dat nog uit het goede oude guldense tijdperk stamt. Het hergebruik van plastic zakken is natuurlijk al een beetje dubieus maar het kan altijd weer erger. Als een oude plastic aardappelzak erg vies maar duidelijk nog lang niet versleten is wil ik zo'n oude vieze zak nog wel eens binnenste buiten keren, onder de warme kraan afspoelen en te drogen hangen.
Ik doe dat niet met tegenzin en ook niet uit vrekkigheid, het is meer dat ik het gewoon moeilijk vind om van zo'n oude zak afscheid te nemen en waarom zou je ook als ie het eigenlijk nog prima doet. Pas deze week realiseer ik me dat ik mezelf daarmee wel heel erg letterlijk tot zakkenwasser promoveer. Zie je wel, dus toch...
Nu fietsen en wandelen vanwege lichamelijke ongemakken even niet wil moet ik me tevreden stellen met de kleine wereld om mij heen. Op die kleine wereld ben je met een groothoeklens erg snel uitgekeken dus daar begin ik niet eens aan. Met de telelens valt er al wat meer in eigen achtertuin te beleven, zelfs in onze schaduwrijke tuin bloeit op dit moment allerlei kleurig spul, en als je op die telelens ook nog een macrolens schroeft is het einde alweer bijna zoek.
Zo ontdek ik op de monnikskap prachtige blauw-groene luizen en drie centimeter verderop zit een glimmende bladsnuitkever van een paar millimeter zijn pootjes te poetsen. Een gestreepte pyamazweefvlieg hangt zo rustig bij bloeiende grote koeienoog te zweven dat ik me verplicht voel om te proberen hem in de vlucht te fotograferen. Zelfs met flitslicht lukt het niet de beweging van de zweefvlieg volledig te bevriezen maar ook als dat wel kon zou de foto onscherp zijn geworden. Zo makkelijk is macrofotografie nou ook weer niet.
Dan komt mijn vrouw thuis met een zielige afgesneden bloem. Geen leuk gezellig bosje van het een of ander, alleen maar een enkele bloem met triest afhangende blaadjes. De zielige bloem wordt in een armoedig vaasje midden op tafel gezet. Ik ga er eens goed voor zitten en kijk de bloem recht in het hart. Dat hart geurt zo honingzoet dat je bijna zou willen dat je een bijtje was.
Ik ken deze bloem goed, heb er een paar jaar geleden zelfs een fraaie macrofoto van gemaakt die nu in een lijstje boven de bank hangt. Het is rode zonnehoed. Die doet het helaas niet in onze schaduwtuin, wat mij best een beetje spijt want het is een schitterende bloem. Er zijn veel meer schitterende bloemen die het hier niet willen doen. Dat is allemaal de schuld van de grote wilg maar om die nou om te hakken voor een paar bloemetjes is ook weer zo wat.
Bij een vriendin zonder wilg en mét zandgrond doet rode zonnehoed het jaloersmakend goed, hij gedraagt zich daar als onkruid en zaait zich zelfs massaal uit. Deze eenzame bloem komt bij haar vandaan en stond waarschijnlijk in de weg of zo. Stel je voor, rode zonnehoed die in de weg staat, dat is nog eens rijkdom.
Ik zet de bloem op vaas buiten in de tuin en maak er een nepfoto van. Nou lijkt het net of ze bij ons ook zo mooi staan te bloeien. De bloem daagt uit tot meer creativiteit en als hij weer binnen op tafel staat stel ik mijn statief op, maak van een gloeilamp een studiolamp, schroef een macrolens op de camera en maak een lekkere vette kleurplaat van het stekelige bloemhart.
Daarna zijn de roze bloemblaadjes aan de beurt. Die hangen er zo verschrikkelijk triest bij dat ik mijzelf er haast in meen te herkennen. De scherpe foto's van de verdrietige bloemblaadjes gooi ik weg, dit keer mag alleen de mislukte foto blijven.
Tot slot maak ik nog een stemmige foto van bijna de hele bloem met een zeer smaakvolle paarse achtergrond die in een deftige fotostudio niet zou misstaan. Rara wat is het. Het is, het is, het is: een oude paarse plastic zak. Ken het gemak van de oude plastic zak.
Lange tijd heb ik gedacht dat ik de enige ben die het af en toe een flinke klus vind om in een Quest te stappen. Ik ben altijd al wat houterig geweest en dacht dat het vooral daarmee te maken had. Min of meer toevallig kom ik er achter dat er meer mensen zijn die problemen hebben met instappen. Op internet lees ik dat een zeer geoefende Questrijder na een gemene valpartij (niet met de Quest) met armletsel teleurgesteld moet vaststellen dat fietsen in een Quest prima zou gaan ware het niet dat het hem niet lukt om in te stappen.
Voor mensen met normale lichaamsproporties is er doorgaans weinig aan de hand. Je moet even leren waar je je voeten wel en niet neer kunt zetten en als je dat eenmaal door hebt kun je je vrij ontspannen in de fiets laten zakken terwijl je met je voeten op de rand van een soort brugdeel steunt.
Voor langbenige ooievaars werkt deze methode helaas niet omdat zij halverwege het laten zakken met hun knieën tegen de rand van de fiets stuiten en daardoor hopeloos klem komen te zitten. Ooievaars dienen hun pootjes als dode stokjes rechtstandig vooruit te steken en moeten zich puur op de kracht van de armen in de fiets laten zakken.
Ik heb daar nooit een groot nadeel in gezien en vind het zelfs wel een goede armspieroefening. Totdat ik een nog steeds onbegrepen schouderblessure oploop en gedurende een aantal weken wacht ik met spanning af hoe de blessure zich ontwikkelt en vooral of ik in de Quest kan blijven rijden.
Ik ontdek gelukkig een eenvoudig foefje dat het instappen wat minder belastend maakt. Het laatste stukje laat ik me als een dood paard in de fiets vallen waardoor ik het punt met de meeste armbuiging en belasting omzeil. Uitstappen is tot mijn verbazing overigens nog nooit een probleem geweest. Door voorzichtige oefeningen en iets verstandiger gedrag komt de schouder tot rust en tot een gedwongen fietsstop komt het gelukkig net niet.
Dan gaat het door een onbenullige samenloop van omstandigheden toch nog mis. Als we in Den Helder op de veerboot staan te wachten wil ik mijn raampje opendraaien wat niet lukt omdat de motor uit staat. Mijn vrouw draait de sleutel half om, ik laat het raampje zakken, mijn vrouw vergeet de sleutel terug te draaien. Dat hoeft geen probleem te zijn als de airco niet aanstaat. Die hebben we echter vergeten uit te zetten en wanneer we aan de beurt zijn om op te rijden geeft de auto geen kik, de accu is helemaal leeggelopen.
Ik zie in paniek, enig basisvertrouwen is mij nog steeds helemaal vreemd, deze vakantie in het water vallen, stap uit en kijk zo hulpeloos om me heen dat in mum van tijd twee stewards klaar staan om de auto aan te duwen. Ik moet daar niet bij helpen omdat ik sinds een paar dagen begonnen ben aan een volgende pijnlijke blessure, ditmaal is de rechter elleboog aan de beurt. Maar ik ben in paniek en help toch met aanduwen. Die elleboog hou ik wel rekening mee, die doet nog pijn genoeg, maar de andere schouder vergeet ik even in de hectiek.
Als de motor start schiet de auto met een ruk onder me vandaan en trekt mijn schouder in een doodongelukkige beweging een stuk mee. Ik voel hoe spieren en pezen die echt niet verder kunnen dat toch doen en sta te janken van de pijn. Op Texel is geen Quest en ook geen computer waardoor de weer opgerakelde schouderblessure veel rust krijgt wat goed lijkt te doen.
Maar als ik thuis mijn eerste ritje met mijn zo geliefde fiets maak blijk ik onderweg steeds moeilijker te kunnen instappen. Het foefje van het dode paard in de fiets laten vallen helpt niet meer. De noodzakelijke valafstand is inmiddels zo groot geworden dat gevreesd moet worden voor schade aan de fiets en tandenknarsend van woede laat ik de prachtigste foto's aan mijn neus voorbij gaan en fiets snel weer naar huis.
Ik hoop dat de schouder snel weer tot rust komt want een leven zonder Quest kan ik mij niet zo goed voorstellen. Mocht de blessure toch hardnekkig blijken dan zal ik misschien mijn heil moeten zoeken in een tip die op internet voorbij kwam. Als je net voor de dwarsbrug in de Quest een stukje aluminiumprofiel monteert om met je voeten op te steunen kan ook een ooievaar zich op beenkracht in de fiets laten zakken omdat de knieën dan net voor de rand omhoog komen.
Eigenlijk zou dat toch al een goed idee zijn want al fotograferend komt het geregeld voor dat ik meerdere malen per kilometer uit- en weer instap en dan is de huidige klauterprocedure ook zonder blessure wel eens een beetje te gortig.
Liefdevol maar toch nog te ruw wordt mijn slaap onderbroken als mijn vrouw tegen me begint te praten. Het voelt alsof ik 's morgens om kwart over vijf gewekt wordt. Met mijn gevoel blijkt niets mis, het is inderdaad kwart over vijf. Ik ben het er niet mee eens, het is vakantie, mijn foto's verkopen bij nadere beschouwing voor geen meter dus daar hoef ik het niet meer voor te doen en verder geloof ik het wel.
Horen wij daar tussen de regels door een teleurgestelde want veel te ambitieuze amateurfotograaf mopperen over een verschrompelend toekomstperspectief? Jawel, zo is het maar net maar daar gaan we het hier vandaag verder niet over hebben.
In de verte hoor ik nog iets van 'mist' en 'echt heel mooi', dan zeil ik al weer weg. Maar zo makkelijk kom ik er niet vanaf dit keer. Opnieuw wordt gemeld dat er buiten veel mist is en dat het mooi is. Om van het gezeur af te zijn sta ik op om even uit het raam te kijken met het voornemen er meteen weer in te kruipen. Dan zie ik de mist en ben met terugwerkende kracht klaar wakker. Vanuit ons vakantiehuisje hebben we uitzicht op een kleine duinvallei en de mist boven het weiland is onwerkelijk en betoverend.
De zon staat op het punt om boven de bomen uit te komen en er is werkelijk geen seconde te verliezen dus in mijn onderbroek hol ik met camera en statief naar buiten en maak mijn eerste foto's van die dag. Er zullen er nog zo'n 400 volgen, maar dat weet ik dan nog niet en dat is misschien maar goed ook want wat moet je er toch allemaal mee als je ze aan de straatstenen nog niet kwijtraakt.
Ik sla mijn oefeningen over, prop een boterham naar binnen en spring op de fiets. Moeizaam ploeter ik met het versnellingsloze huurfietsje, alleen goedbetaalde fotografen kunnen zich iets luxers permitteren en nou zal ik ophouden met zeuren, tegen de duinen op en aanschouw de wonderen der natuur. Vanuit zee trekt een dunne deken van mist het eiland op en zorgt voor spectaculaire taferelen. De zon probeert de mist weg te branden maar dat lukt slechts moeizaam waardoor ik ruim de tijd heb om alles te fotograferen.
Het is weer eens aan alle kanten bingo. Achter me een schuurtje met prachtig tegenlicht dat aan het verre zuiden doet denken, linksvoor een boerderij op mars die zweeft in een laag melkachtige mist en rechtsvoor doemen de Schotse hooglanden op. Dit is nog eens natuurgeweld. Ik wordt zenuwachtig van de overdaad en moet mezelf echt tot de orde roepen. Denk aan Ruben Smit jongen, denk aan Ruben Smit.
Dat helpt, ik zet de camera op mijn statief, begin me daardoor toch nog een echte fotograaf te voelen en neem prompt meer tijd voor de composities met als belangrijkste voordeel dat ik wat minder foto's per seconde maak. Een kwartier later is het sprookje uit. Nog steeds overal dichte mist om me heen maar nu is het gewoon zeemist op Texel.
De andere tweehonderd foto's worden vooral verschoten in de Slufter, de open zeearm waar ik mijn hart zo langzamerhand aan verloren ben. Als iemand een stukje Nederland weet dat natuurlijker aandoet dan dit gebied hoor ik het graag, tot die tijd is dit mijn absolute favoriet.
Hier wil ik misschien zelfs wel ooit mijn verjaardag vieren en neem maar van me aan dat dat heel wat wil zeggen. Stel je voor, je verjaardag vieren, wat een klinklare kolder zeg. Hier verstrooid worden lijkt me trouwens ook geen gek idee, maar da's dan meer iets voor later want wie een keer uitgebreid door de Slufter gestruind heeft wil voorlopig niet meer dood.
Een groot deel van mijn geheugenkaart wordt vandaag gevuld met panoramaseries van dit gebied. Dat tikt hard aan want om de hele breedte een beetje aardig te bestrijken heb je al snel acht opnames nodig. Met mist, met minder mist, zonder mist, ik kan er maar geen genoeg van krijgen en denk nog maar niet aan het werk dat hier allemaal uit voortkomt. Het is allemaal maar onschuldige hobby en tijdverdrijf dus het moet kunnen.
Pas enkele levens later lukt het om me los te worstelen van dit prachtige gebied en met tranen in mijn ogen daal ik langs het duin af richting huurfiets met martelzadel. Of ik hier inderdaad ooit mijn verjaardag zal vieren is maar helemaal de vraag en ook het verstrooien van mijn as kon wel eens elders plaats gaan vinden maar het staat als een paal boven water dat ik hier nog weer eens terug zal komen voor meer natuurbeleving van de bovenste plank.