Meestal ben ik met mijn hoofd in de wolken maar de laatste tijd is het vooral bloeiende heide waar ik over loop te dromen en fantaseren. Het is bij lange na niet zo'n uitbundig heidejaar als 2007 maar ondanks dat ben ik toch behoorlijk in paarse sferen. In gedachten ga ik alle terreinen en terreintjes die binnen mijn bereik liggen eens af en check of er ook heide groeit.
Dat zijn er meer dan ik in eerste instantie verwacht had. Bovenaan staan natuurlijk de grotere heideterreinen Dwingelderveld en Doldersummerveld. Het Fochteloërveen valt op dit moment buiten mijn actieradius wat best jammer is want het heeft toch een heel eigen karakter. Verder zijn er allerlei kleinere postzegeltjes in de omgeving die op dit moment vooral in de kleur paars verkrijgbaar zijn.
En het Aekingerzand, ach natuurlijk, het Aekingerzand. Ook daar groeit struikheide tussen de zandduinen, hoe kan ik het vergeten. Daar wil ik heen, en wel onmiddellijk, dus daar ga ik heen.
Op het Aekingerzand is het lekker rustig en de heide is ook hier al aardig op kleur aan het komen. Vanaf de houten uitkijktoren, die flink staat de schudden op de stevige windstoten, geniet ik van het lichtspel boven de zandduinen.
Ik ken geen andere plek waar je zo'n dioramagevoel krijgt als hier wanneer stapelwolken en zon boven het stuifzand telkens een ander stukje in de schijnwerpers zetten. Door de afwisseling van de lichtgekleurde zandduinen en de donkere dennen wordt het lichtspel nog eens extra benadrukt.
Ik besluit mijn panorama van vorig jaar over te doen. Het licht is goed, de wolken zijn goed en als kleine toegift zijn er de stukjes paarse heide die voor een aardig accent zorgen. Maar telkens als ik de serie wil inzetten trekt er op de verkeerde plek een wolk voor de zon en mijn geduld wordt aardig op de proef gesteld.
Na lang wachten zie ik eindelijk een groter stuk blauw aankomen en zodra de laatste wolk uit beeld is schiet ik de serie binnen enkele seconden. Iedere tel die ik nu vertreuzel kan zorgen voor een onoverbrugbaar verschil in belichting tussen twee opnames waardoor het panorama onbruikbaar wordt. Het gaat echter goed, net op tijd maak ik mijn negende plaatje, dan trekt de volgende wolk weer voor de zon.
Aan de achterkant van het Aekingerzand loop ik wat tussen de met gras begroeide zandduinen door en vind er een paar aardige composities die ik een jaar geleden nog straal over het hoofd gezien zou hebben omdat er op het eerste gezicht helemaal niks te beleven is. Gras en een heel klein beetje hei, verder niks.
Op de terugweg doe ik de houten uitkijktoren bij Doldersum aan, zie dat licht en lucht in orde zijn en schiet ook hier nog een panorama. Het wordt even later nog krap op de bovenste verdieping van het kleine torentje als een vrouw met indrukwekkende camera en dikke fotorugzak de trap op komt klauteren.
Er komt een vreemd gesprek op gang daarboven in dat torentje. Eerst wordt mijn cameramerk opgevraagd. Na deze eerste verkenning begint de vrouw te goochelen met getallen. Ze brouwt ter plekke een indrukwekkende soep van diafragma's, sluitertijden, lichtsterkten en brandpuntsafstanden waar ik, simpele autodidact als ik ben, al snel geen touw meer aan vast kan knopen.
Tijdens het brouwen van de soep loert ze continu door haar zoeker en haar sluiter gaat als een razende te keer. Vergeleken bij deze ervaren fotograaf voel ik me een stuk onbenul en ik besluit me maar een beetje gedeisd te houden. Als ze terloops ook nog laat weten dat ze veel werk doet voor Staatsbosbeheer gooi ik het bijltje er zelfs helemaal bij neer en zeg verder op alles maar ja en amen omdat ik geen zin heb om mezelf belachelijk te maken in de ogen van een professional.
Pas als ze wijst op de wisenten die verderop in het bos scharrelen gaat er een lichtje bij me branden. Zelfs als ik echt een enorme sukkel ben weet ik één ding zeker: op het Doldersummerveld lopen geen wisenten. Zonder spoor van twijfel in mijn stem zeg ik dat dat schotse hooglanders zijn en dat je voor wisenten toch echt een stukje verderop moet zijn. Vanaf dan zijn tot mijn verbijstering de rollen opeens omgedraaid.
Nu ik door heb dat het een spelletje fotografenpoker is en nu ik ook nog eens per ongeluk een troefkaart in handen heb krijg ik er zowaar nog een beetje plezier in ook. Waar zij indruk probeerde te maken door zoveel mogelijk foto's per seconde te maken doe ik dat juist door het tegenovergestelde te doen. Ik neuzel even wat over het juiste licht maar hou me verder ongebruikelijk koest, wat haar juist lijkt uit te nodigen voor nog meer prietpraat.
Stukje bij beetje valt ze door de mand, voor zover dat nog kan na de foute wisent. De exacte duiding van haar 'werk voor Staatsbosbeheer' wordt niet onthult maar het blijkt niets met fotograferen te maken te hebben en op vrijwillige basis plaats te vinden. Mogelijk trekt ze er op zaterdag dennetjes uit de hei of telt ze mestkevers.
Dan hoor ik haar binnensmonds kreunen over een diafragma dat al minstens een uur totaal verkeerd staat en ik krijg bijna met haar te doen. Ze vraagt of ik alles op de camera zelf instel. Even kijk ik haar niet begrijpend aan en wil zeggen dat ik daar heus geen assistent voor heb. Dan snap ik dat ze wil weten of ik de camera alleen in de volautomatische stand gebruik of dat ik ondanks mijn onnozele gezichtuitdrukking toch iets begrijp van diafragma's en sluitertijden.
Genadeloos sabel ik haar neer in de wisentvlaaien als ik zeg dat mijn instellingen er niet zo heel veel toe doen omdat ik thuis alles uit de RAW-negatieven opnieuw ontwikkel. Hoewel het strikt genomen pure flauwekul is wat ik zeg, met RAW kun je achteraf echt niks meer aan je sluitertijd en diafragma veranderen, is ze diep onder de indruk. Ze proeft eens voorzichtig aan dat dure en indrukwekkende woord. Aha, RROAWW, jaja.
Van binnen loop ik me heerlijk te verkneukelen en terwijl zij probeert revanche te nemen door een bijna aanvallende roodharige schotse wolhaarwisent er tweehonderd keer op te zetten maak ik een aardig plaatje van een snoeverige natuurfotografe die een tamme boskoe fotografeert.
Als ze ziet dat haar aanvankelijk zeer succesvolle aanpak niet meer werkt begint ze nog wat over zonnedauw te zemelen. We stonden er zonet bovenop, heb ik dat wel gezien? Weet ik wel wat dat is, zonnedauw? Dat het een heel zeldzaam en bijzonder plantje is? En dat het zelfs een vleesetend plantje is?
Met mededogen kijk ik haar aan. Zonnedauw is best mooi, zeg ik, en wandel vervolgens ontspannen naar mijn luxe achterwielaangedreven slee met luchtkoeling. Ik overweeg of ik haar mijn visitekaartje zal geven maar besluit haar verder te sparen. Ze zou waarschijnlijk een hartverzakking krijgen als ze zag tegen wat voor doorgewinterde fotograaf ze het daar op het Doldersummerveld probeerde op te nemen en dat wil ik natuurlijk niet op mijn geweten hebben.
Tevreden over de goede afloop van dit geheel onverwachte potje fotografenpoker fiets ik het laatste stukje naar huis. Ik hou nooit zo van spelletjes omdat ik niet tegen mijn verlies kan maar nu ik eens een keer royaal gewonnen heb begin ik daar toch wat genuanceerder tegenaan te kijken.
Met de foto van bloeiende heide die ik hier laatst liet zien is echt helemaal niks mis maar natuurlijk zit het me toch dwars dat hij met een eenvoudige compactcamera gemaakt werd. Gewoon het idee, meer niet. Uit ervaring weet ik dat de kans maar klein is dat ik het plaatje over kan doen, zelfs als ik water bij de wijn doe en het met de exacte locatie niet al te nauw neem. Maar ik kan het gewoon niet laten.
Vooruit maar weer, op naar Ruinen, op naar Benderse, op naar het Dwingelderveld. Al op de heenweg gaat het helemaal mis, ik laat me te veel afleiden door wat ik onderweg tegenkom en loop daardoor zware vertraging op. Een mooie maaidorser net voor Ansen, een mooi hek iets dichter bij Ansen, een lieve koe bijna in Ansen en de mij reeds overbekende oude boerderij midden in Ansen.
Met angst en beven wacht ik al enige tijd af wat er met de boerderij gaat gebeuren. Ik heb hem te koop zien staan, daarna heb ik gezien dat de oude boerenbewoners vertrokken. Die zitten nu hun laatste dagen waarschijnlijk te slijten achter een haaks en hoogwaardig geïsoleerd raampje in een zorginstelling. Brrr, ik moet er even niet aan denken wat dat voor omschakeling moet zijn. Nu staat de boerderij al weer een tijd leeg, het onkruid schiet op langs de muren en ik verwacht elk moment een bouwkeet met bijbehorende puincontainer en sloopmachines.
Ansen is een boerengehucht van niks maar ik kom er vandaag maar niet doorheen. Er is dan ook mooi licht bij Ansen. Ik fotografeer er net zo lang tot dat mooie licht helemaal op is en ga vervolgens op de heide zitten mopperen dat het mooie van het licht af is. Gestoofde oetel, zeg ik tegen mezelf, wat wil je nou eigenlijk?
Dat zal ik je eens vertellen. Ik wil net zo'n mooie foto van de Benderse heide maken als twee jaar geleden maar dan nog net wat mooier. Bij voorkeur met de schaapskooi iets groter in beeld. En dat de schaapskudde dan net door de deuren naar buiten komt. En een regenboog erachter zou ook niet verkeerd zijn. Of een ree die op de voorgrond voorbij huppelt. Met het liefst een zingend bostrolletje op zijn rug.
Mijn wensen zijn dus zoals altijd zeer bescheiden en realistisch maar het zit er niet in. Ten eerste laat het licht me in de steek want dat maakte ik immers op in Ansen, maar nog veel problematischer is dat de heide op het juiste stuk amper staat te bloeien. Daar heeft het heidehaantje nu eens geen schuld aan, de heide wordt er gewoon verdrongen door grassen en hoe mooi die soms ook kunnen bloeien, ze halen het natuurlijk van geen kanten bij een veld bloeiende struikheide.
Met moeite geef ik voor mezelf toe dat ik hier verder niet veel te zoeken heb en met een behoorlijk zure kop trap ik moeizaam over het golvende leempad richting radiotelescoop. Ook die laat ik links liggen want die heb ik al minstens tien keer op de foto staan.
Midden op de Kraloërheide wijs ik twee onervaren wandelaars de weg, ze proberen een route te wandelen aan de hand van een velletje tekst en zijn al behoorlijk afgedwaald. Na enig gepuzzel begrijp ik waar de tekst met de wandelaars heen wil en ik kan ze wijzen welke kant ze op moeten als ze vandaag nog hun bestemming willen bereiken.
De Benderse heide is verdrongen door gras, de Dwingeloose heide is aangetast en bruin maar de Kraloërheide is, als je tenminste op de juiste plek gaat staan, behoorlijk paars. Ik maak een foto met boom aan de zijkant en eentje zonder. Het licht is hard en schel en er zal later veel werk bij komen kijken om de kleur van de hei in de foto een beetje te krijgen zoals je het met het blote oog ziet en beleefd.
Via Diever fiets ik naar het Doldersummerveld, met wat geluk kan ik daar nog wat meer paarse hei scoren. Ook hier echter veel vergrassing en veel bruine stukken door het heidehaantje. De compositie die ik in gedachten had, ik ken al mijn gebiedsdelen zo langzamerhand wel een beetje, pakt beter uit dan ik gezien de omstandigheden had durven hopen. Het kan beslist paarser, maar het had ook veel armoediger gekund.
Het is maanden geleden dat ik een rondje hobbelde door het bos dat bij wijze van spreke in mijn achtertuin ligt. Omdat er een paar heideveldjes zijn besluit ik toch weer eens een kleine expeditie in te stellen, vooral om te zien of die heide ook zo zwaar belaagd is door het hongerige heidehaantje. Dat valt me mee, de heide staat er voorbeeldig bij. Ik vind enkele bruine toppen maar vooral heel veel knoppen die het geheel binnenkort een nog paarser aanzien gaan geven dan het nu al heeft.
Ik dwaal af van mij pad en kom bij het erf van een vriend terecht die zo'n beetje midden in de bossen woont. Op zijn terrein is voor een rommelfotograaf als ik altijd wel wat te beleven. Als ik een zorgvuldige uitkadering maak van een boerenraampje met gebroken ruitjes, een oud hoefijzer en twee stukjes elektriciteitsdraad raken we even aan het filosoferen.
Het valt hem op dat het stukje wat ik uitkader ook voor hem opeens begint te leven. Hij hoeft de foto niet eens te zien, alleen mij bezig te zien is al genoeg om zijn blik te verruimen. Als hij dat zo zegt realiseer ik me dat ik dat vaker meemaak. Bij de klokjesgentiaantjes op het Dwingelderveld bijvoorbeeld.
Als de heide daar gewoon hei staat te zijn fietsen de meeste mensen er gewoon over de heide. Mooie heide, mooi uitzicht, mooie natuur, en ze genieten volop. Maar nu lig ik er op mijn knieën heel ingewikkeld te doen met een opzichtige camera en statief. Dat trekt de aandacht. Wat doet die idioot daar toch?
Nadat ik geclassificeerd ben als iets totaal ongevaarlijks, 'oh, het is maar een natuurfotograaf', dringt zich bij menigeen de vraag op wat die fotograaf daar dan wel doet. Men denkt altijd eerst aan een ree en dan aan een roofvogel. Niks te zien echter. De meesten geven het dan op en slechts een enkeling heeft meer verbeelding. Een bijzonder bloemetje misschien? Men kijkt nog wat beter, knijpt misschien zelfs wel even in de rem en verrek, kijk nou dan toch, daar groeien een paar hele mooie blauwe bloemetjes.
Het doet er echt niet toe of ik ook werkelijk een foto maak, dat ik daar door de hei kruip met mijn indrukwekkende speelgoed is al ruim voldoende. Het doet er echter wel toe hoe indrukwekkend mijn speelgoed er uitziet want met mijn bescheiden compactcamera is me zoiets nooit overkomen. Ook als ik de korte landschapslens hanteer is er niets aan de hand maar met die dikke teletoeter voor mijn snuffert is het bijna altijd weer raak.
Als ik al de illusie had dat ik mensen met mijn fotografie kan en moet aanmoedigen om eens wat beter om zich heen te kijken, wat mij betreft is bijna alles mooi immers, dan laten de beschreven ervaringen wel zien dat ik daar echt geen foto's voor hoef te maken. Met foto's zijn de meeste mensen namelijk heel snel klaar. Zodra het beeld herkend is gaat het in het juiste vakje: bloem, lief beest, eng beest of raar ding. Daarna gaat men weer over tot de orde van de dag. Zelfs voor de wat abstractere foto's is een werkbare oplossing bedacht. Die gaan met weinig plichtplegingen in het vakje 'onherkenbaar'.
Nee, van mijn foto's moet ik het als wereldverbeterende preekfotograaf niet hebben, dat wordt me zo langzamerhand wel duidelijk. De camera, daar gaat het allemaal om, en dan vooral om de lengte ervan. Hoe langer mijn lens is en hoe idioter ik in de berm lig te kronkelen, des te meer ontzag boezem ik in en des te beter gaan de mensen kijken.
Eerst even naar mij, en dan, eindelijk, naar het bloemetje. 'Goh, een paardenbloem'. Snel loopt of fietst men door want met zo'n knotsknettergekke idioot wil niemand in het openbaar geassocieerd worden. Intussen wrijf ik tevreden in mijn handen. Weer een zieltje gewonnen. Want wedden dat zo iemand nooit meer op dezelfde manier naar een paardenbloem kan kijken?
Heel af en toe gebeurt het. Dat er zomaar ergens een foto van mij opduikt. Niet op het schermpje van mijn camera, niet op mijn computer en niet op mijn eigen website. Nee, echt zomaar ergens anders in de echte grotemensenwereld.
Zo stond er ooit een foto van mij op het weblog van iemand anders te pronken. Het was puur toeval dat ik het ontdekte en niet moeilijk te bewijzen want het zwarte lijstje met mijn naam zat er nog omheen. Het was een erg mooie foto van een vliegenzwam. Bijna te mooi om te laten verwijderen.
Maar ik was flink en streng want het hoort niet en al te goed is buurmans gek. Na een vriendelijk verzoek van mijn kant, waarbij ik uitlegde hoe het met beeldrechten in Nederland zo ongeveer werkt, werd de foto snel verwijderd en kreeg ik uitgebreide excuses.
Dit keer is het raak op de website van VARA's Vroege Vogels. Ze hebben er een wisselende banner op staan en die van de bloeiende heide op het Dwingelderveld is van mij. Met enige moeite zou je het bewijs tevoorschijn moeten kunnen toveren. Yep, heus waar, heb ik in eigen persoon gemaakt. Ooit, lang geleden.
De camera's die ik nu heb zijn weliswaar stukken beter dus ik zou het graag overdoen maar de heide is er dit jaar minstens zo beroerd aan toe als ik. Dat komt door het heidehaantje die alles opgevroten heeft. Geen bloeiknoppen, geen paarse heide. Her en der een plukje, meer zit er op veel plaatsen niet in helaas. Genoeg reden dus om die foto met zo lekker veel paars een beetje te koesteren.
Ik kan me alleen niet meer herinneren dat ik de twee huidige presentatoren die midden op mijn foto staan daar toen ter plaatse heb ontmoet net zomin als ik me kan herinneren dat ik ooit toestemming gaf om in mijn foto's te gaan knippen en plakken. Tja, wie zo nodig beroemd wil worden moet niet op alle slakken zout leggen want dan wordt het natuurlijk nooit wat.
Wel herinner ik me dat ik de foto instuurde naar dit programma en dat hij prompt in de nieuwsbrief geplaatst werd. Met het insturen gaf ik toestemming, dat blijkt wel weer en dat wist ik ergens ook best natuurlijk, om mijn foto tot het einde der tijden gratis te gebruiken, te hergebruiken, te verknippen, opnieuw te gebruiken en hem misschien vlak voor hij helemaal versleten is nog bij opbod te verkopen ook. Het ontbreekt er alleen nog aan dat ik ongemerkt ook de beeldrechten weggaf waardoor ik hem zelf misschien niet eens meer zou mogen gebruiken.
Ik ben er dan ook vrij snel weer mee gestopt, met het insturen van foto's, want voor een amateurfotograaf die droomt om ooit nog eens voor het eggie mee te mogen doen is niets frustrerender dan overal, was het maar overal, om zich heen zijn eigen foto's gebruikt te zien worden terwijl daar geen cent voor betaald werd. Helemaal als je naam in de verste verte niet genoemd wordt.
Als het zo moet hoeft het van mij niet, dan word ik nog liever helemaal niet beroemd. Is eigenlijk best lekker rustig, niet beroemd zijn. Gewoon een rondje fietsen zonder gezeur aan je hoofd. Laat ik er dus nog maar even lekker van genieten want als je zo goed bent als ik is het voor je het weet gedaan met het anonieme bestaan.
De huidige stand van zaken wordt meesterlijk verwoord door degene die ik ooit achter op mijn fiets op een fraaie dalurentrouwdag naar het gemeentehuis een lift gaf. 'Je bent al beroemd, maar de mensen hebben het nog niet door'. Zo mag ik het horen en dat mijn huwelijk minstens zo lang mee kan als mijn gratis foto's bij de VARA moge duidelijk zijn.
Kom, laat ik het bij uitzondering eens niet over mezelf hebben. Of in elk geval wat minder dan. Aan de rand van de Beulakerwijde knijp ik in de rem. Of is het nou: Aan de rand van het Beulakerwijde knijp ik in de rem. Het Beulakerwijde of de Beulakerwijde? Ik heb het een tijdje geleden nog opgezocht maar ben het al weer kwijt. Ik denk dat het het Beulakerwijde moet zijn. Vanwege het volgende.
Achter Heerenveen ligt een andere schitterende veenplas, Nannewiid geheten. HET Nannewiid om precies te zijn. Dat kan ik wel onthouden omdat de omwonenden er in hun tuintjes met grote borden tegen een voorgenomen megavakantiepark protesteren. Op al die borden staat: het Nannewiid. Heerenveen is Friesland, dus buitenland, dus geen goed voorbeeld maar gemakzuchtig als ik ben hou ik het op het Beulakerwijde.
Zo, eindelijk sta ik dan stil aan de rand van het Beulakerwijde. Ik heb zin om bootjes te fotograferen. Zie je wel dat het helemaal goed komt met mij, ik voel me eigenlijk strontberoerd, ben werkelijk niet vooruit te branden, maar toch heb ik al weer ergens zin in. De bootjes hebben echter geen zin in mij en varen razendsnel alle kanten op, weg van mij. Geef ze maar eens ongelijk.
Ik blijf beteuterd achter samen met twee grijze saaie oude mannetjes die op de bumper van een luxe wagen met hun thermosflessen zitten te scharrelen. De prachtige openingszin van het grote theater dat vervolgens losbarst, zomaar aan de rand van het Beulakerwijde, toont aan dat niet alle oude grijze mannetjes zijn wat ze lijken. 'Vindt u het goed als ik op een gewone fiets blijf rijden?'
Zulke gevatte en scherpzinnige humor ben ik in deze boerencontreien niet gewend en eerst vertrouw ik het zaakje dan ook niet helemaal. Is het nou een echte lolbroek of toch een zure hufter die het zegt? Het blijkt echter vooral een wijze man. Ik zeg dat hij van mij helemaal niet hoeft te fietsen maar daar wil hij niet van weten.
Omstandig wordt me tot in de kleinste details uitgelegd dat je heus geen velomobiel nodig hebt als je een regenschort tot over de knieën gebruikt en in je sandalen plastic boterhamzakjes over de voeten doet. Zo blijf je ook op een gewone fiets prima droog met slecht weer, zonder dat het een al te benauwde en klamme bedoening wordt.
Ik vraag of hij wel eens van aerodynamica gehoord heeft. Daarmee delf ik mijn eigen graf want prompt wordt me gevraagd om de coëfficiënt van mijn Quest dan maar eens op te lepelen. Ik heb geen flauw benul en geef mijn puntenverlies in deze tweede partij ruiterlijk toe.
Of ik geen last heb van heggetjes langs de weg. Natuurlijk heb ik last van heggetjes langs de weg. Vooral bij rotondes komen er steeds meer, wat ik werkelijk onbegrijpelijk vind. Dat plantsoen bij de watertoren in Meppel is een ramp en die heg midden in Wolvega is al helemaal verschrikkelijk. Dan word ik liefdevol tot de orde geroepen.
'Wacht even', zegt mijn tegenspeler. 'Wij zeggen dat thuis anders. Wij vinden heggetjes niet verschrikkelijk, wij zien ze met grote verwondering overal verschijnen. In verwondering zien wij de meest idiote dingen gebeuren, maar wij vinden dat niet verschrikkelijk. Verschrikkelijk is niet goed voor de geest, die verkrampt er maar van en uiteindelijk krijg je last van je hart'.
Heel even vrees ik in de slinkse val van een Jehovahsgetuige of andere overtuigeling getrapt te zijn maar dat blijkt niet het geval. Dan geef ik hem helemaal gelijk en dat meen ik ook echt, wat ergens een beetje jammer is want zo te zien had hij dit thema met alle plezier nog wat verder uitgediept, waar ik dan weer van genoten zou hebben. Als het gesprek even stil valt stap ik uit om een foto van de oever van het Beulakerwijde te maken, helaas nog steeds zonder bootjes.
De twee heren steken hun neus eens diep in de fiets en opnieuw word ik terechtgewezen. Hoe durf ik om twee oude mannen zo voor de gek te houden, er zit gewoon een motortje in! Ik begin me te verdedigen en wil uitleggen waar alles hendeltjes en knopjes en draadjes voor zijn. Dan barst mijn tegenspeler in lachen uit, het was maar een grapje.
Beteuterd lever ik ook de punten van deze partij in. Het gebeurt me niet zo vaak dat ik in een potje verbale scherpslijperij zo overtuigend het onderspit delf maar ditmaal is er geen houden aan. Vlak voor de heren verder rijden krijg ik de troostprijs uitgereikt. Dat ik een prachtige fiets heb en dat hij het een verademing vind om zoiets tegen te komen want het is verder al meer dan saai genoeg in de wereld.
Glunderend vanwege dit voor mij zeer waardevolle compliment fiets ik even later veel harder dan ik eigenlijk kan de wijde wereld in, gretig, nieuwsgierig en in niet aflatende verwondering op weg naar de volgende voorstelling.
In mijn programmaboekje staat dat die gaat over list, bedrog en vooral heel veel geld. De titel van het stuk is 'Circus Grieppandemie' met als hoofdrolspelers een zekere A. Osterhaus en R. Coutinho. Hoofdsponsor van dit theaterstuk is het Zwitserse bedrijf Roche dat met het geneesmiddel Tamiflu de wereld maar vooral haar eigen omzetcijfers gaat redden. Komt dat zien, komt dat zien...
Ik heb al meer dan een maand last van een kies waar waarschijnlijk niets mis mee is. Ik ga het er niet over hebben. Het tandvlees eromheen is ook erg gevoelig, niks mee aan de hand natuurlijk dus ook geen onderwerp van gesprek vandaag. Ik ga het ook niet hebben over die schouder die nog steeds vervelend doet. En dat ik 's morgens een paar uur nodig heb om de bult verroest oud ijzer die ik me voel weer passend in elkaar gezet te krijgen vind ik ook niet erg interessant, ook dat verhaaltje kennen we zo langzamerhand wel.
Maar in vredesnaam, wat dan wel. Moet ik dan echt nergens over gaan schrijven? Dat zou best kunnen, bijvoorbeeld als ik echt creatief was. Dan valt er zelfs over niets nog best een aardig verhaaltje te schrijven. Was ik maar echt creatief. Door sommigen word ik best een beetje creatief gevonden, gezien de volgende uitspraak die ik thuis te horen krijg. 'Als ik zo mooi piano kon spelen als jij zou ik altijd gelukkig zijn'.
Is zoiets nou een compliment of kritiek op mijn worsteling des levens? Of misschien gewoon jaloezie? Daar ga ik onder het pianospelen nog eens uitgebreid over nadenken. Want dat kan ik dan weer wel, tegelijk piekeren en improviserend pianospelen. Vooral mijn aantal aanslagen per minuut is indrukwekkend.
Ondertussen stel ik met enige opluchting vast dat de remmen van de Quest het inmiddels toch wat beter doen dan voor de recente revisie en met de verbeterde sporing lijkt ook de ergste stroperigheid uit de fiets gehaald te zijn. Dan was er natuurlijk nog die artistieke inzinking waar ik voor vreesde. Laat ik me daar maar niet al te druk om maken, zelfs als de fotomuze mij echt verlaten heeft sta ik nog niet met lege handen.
Ga ik gewoon weer moderne schilderijtjes maken, of misschien kom ik dan eindelijk eens aan het maken van die CD met accordeonmuziek toe. Moet wel eerst die schouder nog een beetje opknappen want die moet de zware balg bedienen en dat wil nu echt niet. Maar daar zou ik het verder niet meer over hebben.
Uit verveling snuffel ik mijn fotoarchief door om het eens goed op te schonen. Ik ben diep geschokt, zowel in positieve als in negatieve zin. Waaat, maakte ik een jaar geleden zulke lelijke foto's? Ik probeer de diepere artistieke bedoeling terug te vinden achter al die landschappen zonder kleur en abstracte foto's die nergens op horen te lijken terwijl ze bij mij vooral nergens naar lijken. Ik vind echter geen diepere artistieke bedoelingen, hoe ik ook mijn best doe, ik vind vooral veel, heel veel, griezelig veel mislukte foto's.
Griezelig omdat ik een jaar geleden, toen ik die bagger maakte, dacht dat ik mooie foto's maakte. Dat was ook heus zo, af en toe, maar af en toe ook behoorlijk niet. Nu zie ik het verschil, moeiteloos, in een fractie van een seconde, toen niet. Het is vrij zorgwekkend als je als fotograaf zo overduidelijk niet in staat blijkt om de kwaliteit van je eigen werk goed te beoordelen. Ik ben te bevooroordeeld, te subjectief, heb te vaak last van blinde vlekken.
Ik ga verder terug in het archief, gewoon uit nieuwsgierigheid. Zorgwekkend, erg zorgwekkend allemaal. De belichting lijkt van begin af aan een van mijn sterke kanten te zijn want ik kom amper foto's tegen die onder- of overbelicht zijn. Dat is al iets. Compositie was in het begin redelijk en wordt de laatste tijd gelukkig steeds beter. Ook dat is mooi meegenomen.
Maar de gekozen onderwerpen zijn vaak zo verschrikkelijk subtiel dat je er op een foto niets van terugziet. Een oersaai landschap met heel in de verte een boom die gedurende een halve seconde gevangen werd in prachtig zonlicht. Ik ben een echte kunstenaar, niemand ziet het behalve ik, en ik maakte er precies op het juiste moment een foto van. Twee jaar geleden was ik erg onder de indruk van dat bijzondere moment, en meer nog van mijn bijzondere, hooggevoelige en natuurlijk zeer artistieke zelf, zodat ik de foto vervolgens zonder al te veel zelfkritiek ontwikkelde en bewaarde.
Nu zie ik de foto weer, probeer terug te halen waarom ik die in vredesnaam maakte, herinner me met enige moeite het moment weer en stel vast dat ik die prachtige lichtval op de boom in de verste verte niet op de foto kan onderscheiden. Ik vergiste mij vorig jaar, de lichtval stond wel in mijn hoofd gegrift, maar niet op de foto. Wat overblijft is een saai weiland met een uitsnede die nergens op lijkt dus: hoplakee, weg ermee. En zo zijn er nog wel een paar honderd, met gemak, gereed voor de prullenbak.
Dat ruimt lekker op maar het is wel pijnlijk dat ik mezelf zo verschrikkelijk voor de gek wist te houden. Wedden dat ik dat nu nog steeds doe, het opnieuw niet doorheb, en over een jaar met dezelfde schaamte over mijn schouder achterom kijk. Zo wordt het natuurlijk nooit wat met mij. Opletten moet ik, nog weer beter opletten.
Het positieve van dit alles is dat ik kennelijk leerbaar ben, vooruitgang boek en steeds beter leer kijken en beoordelen. Daarnaast is er de verrukkelijke luxe van een uitpuilend fotoarchief. Als je al tweehonderd foto's van koeien hebt moet de volgende koe zich behoorlijk aanstellen wil ze nog op de foto mogen.
En dan moet het licht ook nog eens in orde zijn, en de koe moet precies op de juiste plek in de foto staan, en de achtergrond moet ook nog eens kloppen. Ach gut, wat jammer nou, die wolk hangt net op de verkeerde plek in de lucht dus: hoppetee, weg ermee.
Het geheim van fotografie is wat mij betreft het juiste moment, de juiste plek, het juiste licht, de juiste compositie, kortom: het zodanig optimaal samenvallen van omstandigheden dat er onvermijdelijk een foto gemaakt dient te worden. En dat kan bij mij dus zelfs een silagewagen zijn. In augustus, midden overdag met keihard licht en toch nog mooi. Zeg nou zelf, wie verwacht er nou zo'n fraaie vormgeving bij een silagewagen.
Het geheim dat achter dat geheim schuil gaat, ik hou het graag een beetje spannend, is 'zien'. En het grote geheim van 'zien' is wat mij betreft dat je het lijkt te kunnen leren door oefening. Wie veel oefent met zien ziet na een jaar kritisch koekeloeren met gemak tien keer zo veel van de wereld. Daar is eigenlijk helemaal geen camera bij nodig, maar dat is nu eenmaal mijn persoonlijke afwijking, dat ik alles wil 'hebben' en bewaren.
Er is echter nog een ander geheim. De meeste fotografen hebben het er niet graag over, maar ik durf het vandaag aan. De camera. Fotografen mogen graag beweren dat een goeie fotograaf met iedere camera mooie foto's kan maken, dus ook met een afgeleefd analoog Oost-duits prul waarvan geregeld het diafragma blijft hangen.
Dat de fotografen die dat zeggen stuk voor stuk een peperdure Canon of Nikon op de buik hebben hangen geeft al een beetje te denken natuurlijk. Maar ik geef het toe, als alle meezit kun je ook met een eenvoudig fototoestel een topfoto maken. Let wel: als alles meezit. Helaas, zelden zit alles mee, en in al die andere gevallen is het erg fijn om een goede camera maar vooral een goede lens tot je beschikking te hebben.
Dat dat altijd maar weer Canon of Nikon moet zijn heeft volgens mij vooral met onbegrepen menselijke kronkels te maken. In beide woorden zit waarschijnlijk een of ander mythische kracht die mensen er naar doet snakken om te paraderen met een grote brede riem om de schouders waar in brullende letters CANON of NIKON op staat.
Ik heb ook zo'n riem met te grote letters erop. Hij schuurt in mijn nek als ik zweet. Er staat echter geen CANON of NIKON op maar OLYMPUS. Dat is waarschijnlijk de belangrijkste reden dat de meeste fotografen het merk links laten liggen. Het bekt niet, het is geen porum en het scoort niet.
Voor dwarse en verdwaalde zielen als ik is zo'n ondergeschoven merk natuurlijk juist extra aantrekkelijk en na bijna twee jaar fotograferen moet ik zeggen dat ik beslist geen spijt van mijn keuze heb. Dat de body erg prettig in te stellen is is bijzaak, alles went, maar de technische en vooral optische kwaliteit van de twee lenzen waar ik mee fotografeer is fenomenaal.
Ik zou er een boek over kunnen schrijven, zo goed zijn mijn lenzen. Maar dat is pas een echt geheim, zo'n kostbaar geheim dat je niet graag prijsgeeft dus daar ga ik het hier verder niet over hebben.
Sinds vele maanden rij ik onderweg weer eens lek. Dat is een van de voordelen als je zo weinig fietst, alles slijt minder snel en je hebt ook minder vaak pech onderweg. Nou valt het bij een Quest met die pech onderweg toch al reuze mee, veel verder dan een lekke band (af en toe) of een ontspoorde ketting (één keer) is het bij mij nog niet gekomen.
Maar ondanks mijn belachelijk lage kilometrages van de laatste jaren rij ik dus toch weer een keertje lek. Een steenscherfje is net naast het loopvlak in de band gedrongen en heeft de binnenband beschadigd. Er zit een anti-leklint in de band maar daar zat het steentje net naast te porren. In Vledder wissel ik op een grasveldje voor de prachtige oude kerk de binnenband, pomp me een ongeluk om ongeveer tot 6 bar te komen en fiets dan naar huis.
De gruwelijke beelden die ik daar bij de kerk in Vledder zie zullen me nog lang blijven achtervolgen. 's Nachts droom ik er zelfs over en uiteindelijk besluit ik er een einde aan te maken. Nee, niet aan mezelf, dat kan altijd nog, maar aan die rotbeelden. Dat is eigenlijk niet eens zo moeilijk, ik hoef alleen maar twee tot op de draad versleten buitenbanden te vervangen door iets nieuwers, want dat zijn de gruwelijke beelden waar het om gaat.
Het rubber dat er nog wel aan zit is precies genoeg om de boel zo'n beetje bij elkaar te houden. Als ik daar niet snel wat aan doe ga ik binnenkort onderweg een keer heel beteuterd staan te kijken en mezelf van alles lopen verwijten. Zoiets komt ook nog altijd erg ongelegen dus ik ben flink, stroop mijn mouwen zo ver op dat zelfs mijn slappe ruggengraat er recht van gaat staan en dan, dan vind ik eindelijk genoeg moed om onderhoud aan mijn Quest te doen.
Het verwisselen van de twee voorbanden valt in het niet bij het noodzakelijke onderhoud aan de trommelremmen die al gedurende minstens een jaar een grotendeels symbolische bijdrage leveren aan mijn remvermogen. Er blijkt veel meer mis dan ik ooit had kunnen verzinnen en eigenlijk moet er van alles vervangen worden. Ik ontdek zwaar versleten glijbussen, drooggelopen dempingsrubbers, losgebroken lijmverbindingen en nog veel meer verdrietige dingen.
Bij zoveel mechanische ellende kost het moeite om niet in paniek te raken. Je zou uit pure wanhoop toch bijna een nieuwe fiets gaan kopen. Dapper plak ik wat losgekomen is weer aan elkaar, wat gesmeerd moet worden smeer ik en daarna zet ik alles weer in de juiste volgorde op zijn plek. De ketting moet eigenlijk ook nog een drupje olie op elke schakel maar dat kan ik niet meer opbrengen en volkomen uitgeput wurm ik mijn nu iets minder verwaarloosde fiets terug in zijn hokje.
De volgende dag is de frustratie groot als blijkt dat het onderhoud amper effect heeft gesorteerd. De remmen zijn niet veel beter geworden en misschien zelfs een tikkeltje slechter. Eentje lijkt er flink aan te lopen terwijl de andere amper remt. Als ik hard rem trekt de fiets eigenwijs naar links. Ik heb heus niks tegen links maar wel als ik hard met mijn fiets rem. Dan wil ik gewoon rechtdoor blijven rijden en bij voorkeur ook nog in vertrouwenwekkende mate vertraagd worden.
Verder is de fiets niet vooruit te branden. Of dat aan mij of aan de fiets ligt krijg ik niet duidelijk. Onderhoud gaat bij een velomobiel altijd gepaard met veel gekruip, gebuk en gewurm en dat heeft me beslist geen goed gedaan. Ik stop om de banden te controleren. Nieuwe banden willen zich in het begin nog wel eens zetten en daardoor in korte tijd veel druk verliezen. De banden lijken goed op druk maar omdat ik niks beters kan verzinnen zet ik de handpomp er toch nog maar even op.
Als ik een aantal dagen later genoeg moed verzameld heb controleer ik de sporing eens en meet een toespoor van zo'n vier mm. Dat zijn er maar liefst drie en een half te veel. Ik reken nergens meer op maar in het uitzonderlijke geval dat ik geluk heb is het vooral die lichte ontsporing die me parten heeft gespeeld. Mocht ik er op mijn eerstvolgende fietstocht vandoor gaan als een raket en binnen de kortste keren verdwalen in verre buitenlanden dan weet ik dat dat het inderdaad geweest moet zijn.
Zal ik... durf ik... voor één keer? Een weblog zonder foto? Ze zijn zo ongeveer op namelijk. Ik hoop, ik hoop, ik hoop maar dat het met het harde augustus-licht te maken heeft. Of met een tijdelijke fotografisch inzinking. Omdat er een camera weg is voor reparatie bijvoorbeeld. Kan je best sip van worden toch?. Of zomaar iets anders doms en onbenulligs.
Als het maar niet is omdat de muze der fotografie mij voorgoed verlaten heeft. Maar ik weet het niet, ik weet het niet, het is best een beetje griezelig. Mijn foto-blik die altijd weer hongerig zoekt naar licht, kleur en andere gelukjes voelt stoffig en grauw de laatste tijd. Het is net of ik sinds kort telkens de verkeerde kant op kijk. Misschien had ik wel te maken met extreem langdurig beginnersgeluk en begint nu het echte sappelen, wie zal het zeggen.
Zonder foto dan maar? Nee, dat kan echt niet, nu nog niet. Dus vooruit maar weer, een kleurige distelvlinder vlak bij een zeer drukke rotonde tussen Steenwijk en de snelweg.
Ik fotografeer eindelijk eens een paar fraaie zonnebloemen zoals het hoort: in de zon. Vorig jaar kwam ik niet verder dan een verlepte zonnebloem in een regenbui, ook best aardig maar natuurlijk niet genoeg om mij helemaal tevreden te stellen.
Thuis begin ik te twijfelen over de spelling van deze prachtige plant. Is het nou zonnebloem of zonnenbloem? Die ellende met de tussen-n begint al een beetje te wennen maar ik meen me vaag te herinneren dat er een aantal vreemde uitzonderingen verzonnen waren op die walgelijke bureaucratisch ontworpen regel. Of de zon daar ook tussen zit ben ik even kwijt.
Google is vandaag lankmoedig want als ik zoek op 'zonnebloem spelling' vind ik razendsnel antwoord. Zonnenbloem is fout, zonnebloem is goed. En waarom dan wel? 'Want het eerste deel van de samenstelling is enig in zijn soort'. Met enig bedoelen ze hier niet dat hij zo leuk is om te zien maar dat er maar eentje van is.
Even raak ik ernstig in de war, daar heb ik toch al vrij snel last van, over het verschil tussen de begrippen zon en ster. Dat ik in de war raak is niet zo verwonderlijk en er zijn meer mensen die menen dat zon en ster synoniem zijn. Dat blijkt bij nadere bestudering toch niet helemaal te kloppen.
Onze zon is wel een ster maar het is hier op aarde kennelijk een goed gebruik om alleen de ster die ons van energie voorziet met de naam zon te betitelen. Dus is er maar één zon, en dus is het zonnebloem en niet zonnenbloem. Vooruit dan maar.
Doorlezend over die ene zon vraag ik me af waar ik me zo druk over maak. Vooral de uitleg over de levensloop van de zon is buitengewoon relativerend. Over een poosje groeit de zon uit haar jasje en zal dan een paar omliggende planeten opeten. Als we geluk hebben zit de aarde net niet in het lunchpakketje van de zon maar ook dan zijn we een stelletje pechvogels.
Het gaat hier namelijk een beetje warmer worden. Nee, geen graad of vijf, nog een beetje meer. Zeg maar gerust heet, heel erg heet. Het gaat hier zo warm worden dat de aarde een bol gloeiende lava zal worden, niet alleen van binnen maar ook van buiten.
Knappe kop die daar een effectief en betaalbaar masterplan voor kan verzinnen. Het duurt nog eventjes hoor, ongeveer vijf miljard jaar maar toch, het idee alleen al... Ik wist het best maar word er toch weer even stil van als ik dat zo lees. Gelukkig komt de alledaagse ergernis over de tussen-n al snel weer om de hoek kijken en dan kan ik weer opgelucht en heel aards ademhalen.
Ondanks onze onverbiddelijke eindigheid blijf ik er bij dat het paard uit de paardebloem geen kudde paarden is maar slechts één enkel lief paardje. In dezelfde lijn ligt natuurlijk de pannekoek. Het is ooit voorgekomen dat ik een pannekoek in een andere pan moest overhevelen omdat de eerste pan hardnekkig bleef aanbakken maar dat was dan ook de enige pannenkoek die ik ooit in twee pannen bakte. In elke andere situatie wordt in het Nederlandse taalgebied een pannekoek slechts in één enkele pan gebakken en daarom is het dus pannekoek en zal het voor mij altijd pannekoek blijven, groen boekje of niet.
Ik pleeg interne ruggespraak maar dat vindt plaats tussen twee verschillende personen dus is het misschien wel ruggenspraak en we komen natuurlijk terecht bij het ontbreken van een fatsoenlijke ruggegraat in de nieuwe taaldictatuur. Omdat het om een hele groep taaldictators gaat moet ik natuurlijk eigenlijk ruggengraat schrijven.
Dan komt er een woord voorbij dat opnieuw vraagtekens oproept. Gelukkig is het maar één vraag die om de hoek komt kijken, anders moest ik de lezer zelfs gaan vervelen met de afweging of het misschien vragentekens moet zijn. Het woord is tomatensoep. Hoe vaak heb ik dat woord niet uitgesproken zonder stil te staan bij de juiste spelling. Ik lust geen tomatensoep, ik lust geen tomatensoep, ik lust geen tomatensoep.
Of zou ik gezegd hebben: 'ik lust geen tomatesoep'? Probeer daar nu nog maar eens achter te komen. Sinds wij tomatensoep eten waar meer dan één echte tomaat in zit ben ik dol op tomatensoep, dus mij hoor je niet snel meer zeggen: 'ik lust geen tomatensoep'. Want daar zit de clou natuurlijk: als er minder dan twee tomaten in de tomatensoep gaan is het tomatesoep, maar in echte tomatensoep gaan er veel meer dus die krijgt wel die tussen-n.
Goddank sta ik niet alleen in mijn verwarring en dwarsigheid, iedereen met enig taalgevoel krijgt rare uitslag in mond en handen van die nieuwe spelling. Daarom is er uit breed gedragen maatschappelijk protest tegen het dictatoriale groene boekje een tweede nieuwe spelling gekomen in de vorm van het witte boekje. Volgens dat verlichte witte boekje mag je wat betreft de tussen-n zelf weten wat je doet.
Kijk, dat lijkt me nou een wijs compromis. Taal is ooit spontaan ontstaan uit klank, wie weet zelfs uit muziek, en is altijd in ontwikkeling. Iedereen die praten en/of schrijven kan en dat ook doet draagt bij aan die ontwikkeling. Dat gaat niet met horten en stoten maar juist heel vloeiend en geleidelijk. Regels horen daar ver achteraan te hobbelen, ze mogen hooguit vastleggen wat wij allang doen en normaal vinden zodat we ze even kunnen raadplegen als we een keertje in de war zijn.
Taal is een bloem die opengaat, telkens als je even niet kijkt is ie een stukje verder, maar met je neus er bovenop zie je niks gebeuren. Taal is een stenen trap die langzaam uitslijt, een stug leren fietszadel dat met de jaren steeds beter gaat zitten, een houten pollepel die exact de vorm van de pan aanneemt waar hij altijd in roert. Dat is taal, mijn taal, onze taal.
Een taalwetenschapper die met taalregels een taal wil veranderen heeft ooit ergens een belangrijke afslag gemist en zit op een snelweg die nergens heen gaat. Aan het eind van die snelweg zal waarschijnlijk een korenwolf of knoflookpad wonen die verdere ontwikkeling onmogelijk maakt.
Een taalwetenschapper die niet de weg kwijtraakte en daardoor doelbewust diep in het Braziliaanse regenwoud verzeild raakte is Hein van der Voort. Een van de interessante zaken die in een radio-interview met hem aan bod komen vind ik de ontdekking van meerdere woorden voor ons woord 'wij'. Er blijken uitstervende talen van uitstervende indianenstammen te zijn die onderscheid maken tussen een groep mensen waar de toegesprokene (jij dus) bij hoort, en een groep waar 'jij' buiten valt. Een beetje in de trant van hullie en zullie dus, maar dan anders.
Als die griezels van het groene boekje ons nou echt zo nodig nieuwe regels op willen leggen, laat dat dan in elk geval onze taal een beetje verbreden en verrijken. Daar wil ik dan nog wel een beetje voor wennen en oefenen. Ik vrees echter dat ze daar net iets te navelstaarderig voor zijn. Of navelsstaarderig als je dat liever leest, van mij mag het allemaal.
Ik verveel me. Het is niet te geloven maar meneertje Altijd-Wat-Te-Doen verveelt zich heus. Ik zit de laatste weken zo ongelukkig in mijn vel dat ik minder foto's maak dan goed voor me is met als gevolg dat er achter de computer ook niet veel meer te doen is want de foto's zijn zo'n beetje op. Er zijn heel veel andere dingen die ik nodig eens moet doen, maar ik heb geen zin en het wil niet.
Weet je wat, ik maak een begin met het verwerken van mijn oude foto's, die staan met vijfduizend bij elkaar al meer dan een half jaar te wachten. Maar al snel ben ik dat weer zat, wie gaat er nou midden in de zomer vliegenzwamfoto's uitwerken en publiceren. Dus ga ik me maar weer opnieuw vervelen.
Een irritant gezoem zwelt langzaam aan tot een irritant gebrom. Het irritante gebrom begint boven ons huis rondjes te draaien. Nu verveel ik me niet meer alleen, ik zit me ook nog een potje te ergeren. Het irritante rondcirkelende gebrom is afkomstig van twee vliegtuigjes. Dat betekent dat vandaag de jaarlijkse wielerwedstrijd verreden wordt. Een betere reden om binnen te blijven is er niet dus ik ga maar gewoon door met vervelen.
Uit verveling, wat anders vandaag, ga ik vanuit het zolderraam de vliegtuigjes fotograferen. Ze hebben een reclamesleep achter zich hangen die vertelt dat er een wielerronde in Steenwijk is. Ook zonder reclamesleep zou iedereen heus wel weten dat er vandaag een wielerronde in Steenwijk is want het domme gebulk van de speaker is in de wijde omgeving bijna letterlijk te volgen.
Ik maak een verveelfoto van twee vliegtuigjes met een reclamesleep en kruip achter de computer. Waar was ik ook alweer gebleven? Oh ja, ik zat me te vervelen. Ik pak de draad weer op en leef me met een potje nutteloos fotoshoppen uit op de verder totaal oninteressante foto van twee vliegtuigjes. Als ik uitverveeld ben met de foto ben ik ondanks alles best tevreden met het resultaat.
Tussen het vervelen door wordt er af en toe toch nog wat gefotografeerd. Meestal met hangen en wurgen maar wie zou zich daar nog over verbazen. Tijdens een verkenningstocht op de Dwingelose heide ontdek ik dat de door mij zo begeerde klokjesgentiaan pal langs het fietspad groeit. Ik heb hem hier nog nooit gezien, blinde kip die ik ben.
Omdat weer en licht op dat moment totaal ongeschikt zijn maak ik geen foto's maar neem me wel voor om die plek snel weer eens te bezoeken. Dat voornemen heb ik wel vaker als ik op het verkeerde moment op de juiste plek ben, maar zelden lukt het dat voornemen tot uitvoer te brengen. Soms zit het weer tegen of vergeet ik het gewoon maar meestal zit mijn lichaam of geest me in de weg door te gaan lopen kwakkelen.
Dit keer lukt het wel maar de lucht zit zo dicht dat het eigenlijk niet veel zin heeft om foto's te maken. Ik probeer het toch en sta uiteindelijk foeterend in de regen klokjesgentiaantjes te fotograferen. Thuis blijken de opnames wat flets en kleurloos, tenminste wel voor de felblauwe klokjesgentiaan, maar het licht heeft door de regen een bepaalde zachtheid die maakt dat ik toch een paar opnames bewaar.
Tevreden ben ik echter allerminst en zowaar, het lukt me om voor een derde keer naar de bewuste plek te gaan. Het is erg rustig midden op de hei, iets wat in deze tijd van het jaar uitzonderlijk genoemd mag worden. Het is heerlijk om weer eens bezig te kunnen zijn zonder die voortkabbelende stroom opmerkingen achter je rug over je fiets en je telelens.
Tot mijn grote vreugde vind ik op een paadje een exemplaar met maar liefst twee bloemen en daar maak ik uitgebreid foto's van. Zo, de klokjesgentiaan heb ik er eindelijk netjes op staan, op naar de volgende wens. Die zit even verder op het fietspad, een gentiaanblauwtje daagt me daar uit tot een volgende fotosessie. Maar ik ben verstandig, in de beperking toont zich de meester, en besluit het gentiaanblauwtje te bewaren voor later.
'Als je nou toch zo van de natuur houdt, wat moet je hier dan met zo'n stom ding'. 'Je' dat ben ik, en dat ik van de natuur hou blijkt waarschijnlijk uit de lange telelens die ik voor mijn neus heb. Het 'stomme ding' is mijn favoriete vervoermiddel, mijn Quest. En de opmerking wordt gemaakt door een passerende fietser. Het gaat met precies zo'n volume dat hij zeker weet dat ik het ook hoor, maar dan wel net nadat hij voorbij gefietst is zodat hij ook zeker weet dat ik hem er niet meer op aan kan spreken.
Binnensmonds scheld ik de man uit voor zure augurk, lafaard en erger, veel erger nog. Als hij de eerste was kon ik er misschien nog om lachen maar hij is bepaald niet de eerste en ik heb het warm. Hij waarschijnlijk ook. Ik sta midden in de Weerribben, mijn Quest staat keurig in de berm en ik vermaak me heel braaf met mijn fotojacht op de zilveren maan, een prachtige kleine soort parelmoervlinder die ik hier kort geleden ontdekt heb. Ik ben niemand tot last, tenminste dat zou je denken, en wordt zo langzamerhand werkelijk spuugziek van alle domme en af en toe zelfs griezelige oordelen die hier over me uitgebraakt worden zodra men mijn fiets ontdekt.
Even later hoor ik iemand vaststellen dat je in zo'n ding geen bruine benen krijgt. Als ik zeker weet dat niemand het kan zien kijk ik snel even omlaag, schrik van mijn melkflessen en moet ze dit keer gelijk geven. Kijk, dat is geen dom oordeel en ook geen hufterige afzeikerij, dat is gewoon een feitelijke constatering die ik helaas volmondig moet onderschrijven. Ook niet leuk om te horen, maar verder niets om je over op te winden.
Als even later iemand schoorvoetend vraagt of hij misschien even in de fiets mag kijken val ik hem bijna smekend om de hals. Oh alstublieft en dolgraag natuurlijk, eindelijk weer eens belangstelling zonder zure verziekte vooroordelen. We kletsen vervolgens gezellig over fietsen, versleten heupen en prostaatklachten en mijn ergernis van daarnet is hierdoor alweer bijna vergeten.
De zilveren maan sliept me dit keer nog erger uit dan een paar dagen geleden, ik krijg hem uitgebreid te zien maar met geen mogelijkheid valt er een foto te maken. Bovenstaande opname is van vorige week en beslist voor verbetering vatbaar. Soms gaan de dingen net een beetje anders dan je zou wensen, wat natuurlijk als groot voordeel heeft dat er nog wat te wensen overblijft. Grote vuurvlinder, weerschijnvlinder, zilveren maan, bloeiende lavendelheide en één miljoen kievitsbloemen, allemaal blijven ze voorlopig nog even op mijn droomlijstje staan.
Wanneer ik me uit gemakzucht even beperk tot de vlinders, het is vlindertijd dus dat mag, kan ik zo zoetjesaan distelvlinder, atalanta en landkaartje van dat wensenlijstje schrappen na alle foto's die ik er de afgelopen tijd onderweg en vooral ook in eigen tuin van kon maken.
Bij Barsbeek zie ik twee varkens in een boerentuin met elkaar stoeien en als ik met de hobbyboer en boerin aan de praat raak wordt speciaal voor mij de tuinslang even aangezet voor wat extra varkensspektakel. De beesten vinden het heerlijk om onder de waterstraal te staan en ik zou zweren dat ik ze zie lachen van plezier.
Hoewel deze twee dieren geen lang leven beschoren is, ik krijg te horen dat ze in het najaar mogelijk al in de vriezer liggen, hebben ze in dat te korte leventje in elk geval een hoop plezier gehad en ze zijn waarschijnlijk zelfs nog wat beter af dan in de biologische varkenshouderij. Ik hoef er nog steeds geen varkensvlees om, ga er toch niet harder van fietsen, maar als ik te veel aan vlees verknocht was om het te laten staan zou ik ook wel zo'n varkentje in mijn tuin willen hebben.