Proestend en spetterend snuit ik het nieuwe jaar alweer bijna in. Door een gemene verkoudheid heb ik al meer dan een week niet gefietst of gewandeld en ben ik zo langzamerhand strontsacherijnig van het binnen zitten. Elk slijmvlies wat geïrriteerd kan raken lijkt dat met volle overtuiging te doen. Ik ben nu in de fase van een hoofd vol snot, dove oren en benauwdheid die op een bronchitis gaat lijken. Iedere dag hoop ik het ergste gehad te hebben maar telkens blijk ik nog net een beetje beroerder te kunnen worden.
Het is jaren geleden dat ik serieus verkouden was dus ik moet er echt even aan wennen en spartelde vooral de eerste dagen heftig tegen. Nu hoop ik alleen nog maar dat ik weer een beetje op de been ben als half Januari de verbouwing van keuken, toilet en badkamer begint. Ik zie daar al een hele poos flink tegenop en in deze kwakkelstaat lijkt het me al helemaal geen doen zonder douche, toilet, stromend water en rust.
Van verveling ga ik vanachter het raam vogeltjes fotograferen die op ons voederhuisje en pindanetje af komen. Ik verzin allerlei constructies van stukken boomstam met ingebouwde voederautomaten om het allemaal natuurlijker te doen lijken maar verder dan verzinnen komt het niet. Het is jaren geleden dat ik in staat was om iets aardigs van hout in elkaar te knutselen en het zal nog wel een poosje duren voor dat wel weer lukt. Eerst maar eens zorgen dat op tijd schuur, keuken en badkamer ontruimd zijn, zodat men daar ook echt aan de slag kan.
Blaffend en rochelend wens ik de lezer van dit weblog een goed en vooral ook gezond 2008 toe.
Natuurvuurwerk: bevroren graspol, Dwingelderveld (digitaal bewerkt)
Ruim een jaar geleden belde mijn moeder me op. 'Jongen, niets om je zorgen te maken, maar je vader is ter observatie opgenomen in het ziekenhuis en blijft daar een paar nachtjes. Hij heeft zenuwuitval in zijn handen en moet even goed onderzocht worden'. Het zou allemaal een beetje anders lopen dan gehoopt en het werd een hectische tijd waarin mijn vader twee keer op sterven na dood was maar telkens weer tot ieders verbazing opkrabbelde.
Als de ambtelijke molens een beetje door willen draaien zodat in en om het huis wat dingen aangepast kunnen worden kan hij komend jaar weer thuis gaan wonen. Mogelijk heeft mijn vader net genoeg hand- en vingermotoriek om een electrische rolstoel te besturen. Dat zou een goede zaak zijn want mijn moeder heeft zich inmiddels de vernieling in gesjord op het lompe kreng waar hij nu in zit. Haar te flinke gedrag leverde een hernia op waardoor fietsen even niet meer vertrouwd is en van rolstoel sjorren is de komende maanden al helemaal geen sprake meer.
Mijn ouders lijken onder de indruk van het begrip 'domotica' dat in verband met de woningaanpassing door de ergotherapeut genoemd is en vragen zich af waar ze dergelijke moderne zaken aan verdiend hebben. Ik verbijt me ondertussen omdat alles zo traag en ambtelijk verloopt en wordt af en toe onpasselijk van de manier waarop alles in regelgeving is gegoten. Wie zelf bijvoorbeeld een aanpassing voorschiet hoeft niet meer op een vergoeding te rekenen, men dient lijdzaam af te wachten tot men aan de beurt is en het de plaatselijke ambtenaar behaagt om een aanvraag in behandeling te nemen. Het wachten daarop kan echter vele maanden in beslag nemen.
Mijn ouders hebben door alle nare verrassingen en tegenvallers van het afgelopen jaar geleerd zich te schikken naar de omstandigheden. Af en toe trekt mijn moeders eens ergens flink aan de bel en voor de rest doet ze vooral haar best om op de been te blijven. Ondertussen zet mijn vader, tussen begrijpelijke buien van wanhoop en mismoedigheid door, alles op alles om juist weer op de been te komen. Dat schiet nog niet zo op maar er is nog steeds sprake van enige vooruitgang dus wie weet wat er nog van komt.
Inmiddels heeft mijn vader uit noodzaak en wanhoop de beginselen van het emailen onder de knie gekregen en stuur ik hem bijna wekelijks een fotoverhaaltje met wat kletspraat waar meestal vlot een reactie op komt.
Door verschillende mensen wordt me per email gevraagd of ik dit jaar weer eens naar de jaarlijkse 'oliebollentocht' ga, een winterse fietstocht voor velomobielen. Ik heb daar een keer aan meegedaan toen het hier in de omgeving georganiseerd werd en het was erg leuk om met zoveel andere velomobilisten op te rijden. De groep is echter groot en dat levert veel sociale drukte op die ik helaas niet aan kan.
Ik had gehoopt dat het op sociaal vlak weer eens wat beter zou gaan maar zelfs na een rustig kerstbezoekje aan mijn schoonmoeder ben ik al weer aardig over mijn toeren dus zo'n gezellig groepsevenement als de oliebollentocht kan ik beter uit mijn hoofd zetten. Laat mij maar in alle rust met mijn karretje over 's Heren wegen trappen, ik deed het graag af en toe in een clubje maar na zoveel jaren leer je dat je je hand niet moet overspelen en maar beter geniet van wat je wel kunt.
Mede daarom probeer ik me zo listig mogelijk tussen de feestdagen door te wurmen. Een kerstboom ontkom ik niet aan en dat is mijn eigen schuld want die heb ik ooit zelf ontworpen en gemaakt. Nee, ik waan me niet God die de fijnspar schiep, maar ik schiep wel ooit de herbruikbare houten kerstboom, en al zeg ik het zelf, het is nog een mooie ook. Verder is het kerstfeest niet aan me besteed en tijdens de jaarwisseling is het al bijna traditie aan het worden om vroeg en met oordopjes in te gaan slapen en te proberen om overal doorheen te knorren, wat overigens zelden lukt.
Mijn favoriete feestdag viel dit jaar onverwacht op een zaterdag, afgelopen zaterdag om precies te zijn, de dag na midwinter. Mijn fietstochtje door de surrealistisch berijpte witte wereld was er echt een om nooit te vergeten en ik heb genoten van begin tot eind. Na zo'n feestelijk uitstapje, het is voor mij één groot avontuur en ik maak er op mijn geheel eigen manier een dolle boel van door alles ook nog eens uitgebreid te fotograferen, kan ik er weer een hele poos tegen en voel ik me een bevoorrecht mens.
De uitvallende kerstboom, de oliebollenmisselijkheid, de losgerukte vuurwerkvingers, de nieuwjaarskater en zelfs de goede voornemens laat ik aan mijn neus voorbij gaan terwijl ik nijver mijn stortvloed aan foto's sorteer, mijn zegeningen tel en ondertussen alweer wik en weeg waar ik een volgende keer heen zal fietsen.
Als ik donderdagochtend naar buiten kijk zie ik dat de oude linde die we vanuit ons huis zien mooi berijpte takken heeft. Het is koud en somber maar de takken steken toch zo mooi af tegen de lucht dat ik vandaag echt even naar buiten moet met mijn fototoestel. Ik zou er het liefste meteen op uit trekken maar het is niet altijd speelkwartier voor de fotograaf, af en toe moeten er ook andere dingen gedaan worden.
Als ik na het afronden van mijn taakjes 's middags dan eindelijk bij de linde sta valt het effect bar tegen. Vanuit de verte is de boom mooi, maar van die afstand een beeldvullende opname maken lukt niet. Ik schiet toch maar wat foto's en maak nog een klein ommetje door de wijk. Mijn foto-oog ziet niet veel vandaag en ik krijg het ook nog stervenskoud omdat ik het weer verkeerd ingeschat heb. Een magere opbrengst deze keer, dat moet ook een keer kunnen.
De volgende ochtend is het tijd voor revanche. Het is nog steeds grauw en mistig maar de rijp is doorgegroeid. Ik pak me goed in met een regenbroek, extra shirt en dikke wanten. Als je met een camera loopt rond te banjeren sta en zit je zoveel stil dat je je heel anders moet kleden dan wanneer je bijna de hele tijd in beweging blijft zoals met wandelen of fietsen.
Het ommetje door het bos wordt noodgedwongen ingekort vanwege een lege batterij en volle fotokaart, hoogste tijd om daar reserve exemplaren van aan te schaffen. De rijp is bizar. Op veel takken zitten horizontale ijsnaalden van 2 centimeter of meer. Ik kijk mijn ogen uit en doe dapper mijn best om een en ander goed in beeld te brengen. Vanaf de Woldberg heb ik uitzicht naar beneden, richting Steenwijk is niets te zien, alles zit dicht door de mist, maar aan de andere kant staan witte boswallen en witte boerderijen die voorzichtig opgegeten worden door een witte mist.
De sfeer is zo bijzonder dat ik er zelfs een beetje nerveus van wordt. Als ik dit maar goed gefotografeerd krijg, zo'n kans krijg je niet elk jaar. Veel te snel staat de geheugenkaart vol en moet ik moeilijke keuzes gaan maken. Is er een foto op de kaart die minder mooi is dan wat ik nu voor me zie? Wissen met die hap dan. Zo weet ik het onvermijdelijke nog een tijdje uit te stellen maar er komt een moment dat er echt geen foto meer gewist kan worden. De batterij is ook al bijna leeg en ik ben zelf ook leeg en moe. Verzadigd door alle indrukken ga ik naar huis.
Als ik 's avonds de weersverwachting hoor weet ik dat ik me voor moet bereiden op nog een intensieve fotodag. Er komt nog geen dooi en de wind blijft matig dus de meeste rijp zal misschien blijven zitten. Wel komt er meer zon. Dat beloofd wat, als er op deze witberijpte wereld ook nog een zonnetje gaat schijnen weet je niet meer wat je ziet.
De volgende morgen zie ik meteen al dat het raak is. Ik wordt er helemaal opgewonden van. Hellup, ik moet er uit, ik moet op stap, ik moet alles fotograferen. En snel ook want voor je het weet is alles gesmolten. Zo snel als ik kan raap ik alles bij elkaar en maak ik brood en drinken klaar. Grote twijfel over welke handschoenen ik aan moet doen. Ik gok wat en neem nog een paar extra handschoenen mee. Als ik zie dat het nog flink vriest trek ik nog maar een extra hemd aan en de fietsschoenen staan al op te warmen op de radiator.
En zo gaat de stoere fotograaf op pad, stijf van de zenuwen want stel je voor wat er allemaal mis kan gaan. Zit de geheugenkaart wel in de camera, heb ik gisteren echt de batterij goed opgeladen? Alles wordt dubbel gecontroleerd maar veel rustiger word ik er niet van. Eenmaal onderweg word ik alleen maar opgefokter. Het is zo verschrikkelijk mooi dat ik gewoon niet weet waar ik beginnen moet met fotograferen. Ik kan toch niet alles doen?
Tijd voor een klein gesprek met mezelf. Rustig maar apenkop, die rijp loop heus niet weg, fiets nou gewoon maar je geplande rondje en als je wat leuks ziet mag je een foto maken. Ik doe mijn best om goed naar mezelf te luisteren, maar pas als ik midden op het Dwingelderveld ben kom ik een klein beetje tot rust. De sfeer is op sommige plekken bijna onaards en ik ben beslist niet de enige die dat door heeft. Nog nooit zag ik zoveel mensen met camera's in de weer.
Ik volg een onlogische zwabberroute over het Dwingelderveld om maar zoveel mogelijk open ruimte te zien en beleven. Op het laatste stuk blijkt dat mijn nerveuze gedoe eerder op de morgen niet alleen maar loze zenuwpezerij was, onder invloed van de zon gaat het mooie er nu heel snel af. Als ik een uur later was vertrokken had ik nog steeds leuke foto's kunnen maken maar dan was het hele mooie er toch al af geweest op veel plekken.
Ook vandaag is de geheugenkaart van mijn fototoestel lang voor ik thuis ben al helemaal vol en moet ik een paar korte wis-sessies houden waarbij alles wat maar enigszins ter discussie gesteld kan worden genadeloos gewist wordt. Eergisteren zijn de (gekochte) kerstkaarten op de bus gegaan, vandaag schiet ik er zelf tientallen in alle mogelijke soorten en smaken, van creatief via oubollig tot op het ranzige af.
Het is koud maar er staat amper wind en daardoor heb ik gelukkig weinig moeite om warm te blijven. Af en toe worden mijn voeten koud, maar met geregeld een korte wandeling voor een foto weet ik ook dat binnen de perken te houden. De fiets heeft meer last van de kou, die is de hele dag haast niet vooruit te branden.
Ongetwijfeld zal mijn lichaam wat minder presteren door de kou maar ik verdenk vooral mijn achterband er van bijzonder zwaar te lopen bij deze kou. De nieuwe Vredestein HPV band heeft ingebouwde lekbescherming, het monteren van een extra antileklint is een beetje dubbelop en lijkt bij lage temperaturen tot een onaanvaardbare rolweerstand te leiden.
Op de terugweg is het voor mij echt beulen geblazen om de fiets nog een beetje in beweging te houden, de benen voelen lam en alles doet pijn. De wetenschap dat ik een paar fotografische juweeltjes rijker ben verzacht het leed en braaf pas ik mijn snelheid aan aan de zeer beperkte krachten die nog resten maar die me tot nu toe altijd nog thuis brachten.
Het is het warmste jaar ooit gemeten zegt de radio. Brrr, ik merk er niets van de laatste dagen. Voor het eerst fiets ik weer met overschoenen en de dikste lange onderbroek onder mijn lange fietsbroek. Vroeger ging onder de 10 graden het schuimdekje op de Quest maar dat zit al fotograferend nogal in de weg dus rij ik nog steeds 'open' en dat is af en toe knap fris.
Op weg richting Wolvega met het idee om een stukje langs de Tjonger te rijden sla ik net voor ik het riviertje De Linde oversteek tot mijn eigen verrassing opeens linksaf. De combinatie van koud winterweer en een stralende zon herinnert me aan een aantal mooie foto's die ik vorig jaar maakte van de glimmende Amerikaanse windmotor hier in de buurt. Die fotosessie ga ik nog eens dunnetjes over doen met mijn nieuwe fototoestel.
Op een bruggetje stop ik even en overweeg om een els met tegenlicht en bevroren slootje vast te leggen. Dan zie ik opeens een felblauwe flits langs de slootkant schieten en grijp instinctief en vliegensvlug naar de camera. IJsvogelalarm! Het is een bijzonder kortstondige fotosessie en ik krijg ongeveer drie seconden de kans. Ik weet inderdaad een foto te maken die mijn ontmoeting bewijst maar de echte scherpte ontbreekt en de compositie is maar matig.
Het mag de pret niet drukken, ik weet een ijsvogel te zitten en kan alvast gaan sparen voor een echte vogeltjeslens want dit smaakt misschien toch wel naar meer. Ik besluit af te wachten of het ijsvogeltje nog even terug komt en zit een kwartier af te koelen in de fiets. Geen ijsvogeltje, wel een nieuwsgierig roodborstje dat bijna op de Quest komt zitten. Als ik bijna begin te klappertanden besef ik dat ik hier niet op gekleed ben en fiets toch maar weer verder, hoe graag ik het mooie ijsvogeltje ook beter zou willen fotograferen.
Even verderop staat de windmotor inderdaad te flonkeren in de zon maar eerst kan ik uitgebreid genieten van de honderden grauwe ganzen die hier grazen, opvliegen, neerstrijken en weer verder grazen. De windmotor komt uitgebreid aan de beurt, met ganzen, zonder ganzen, met slootje en zonder slootje. Dan is door de bijtende kou het gevoel uit mijn vingers en wordt het tijd om me weer een beetje warm te trappen.
Via Oldemarkt, waar ik nogmaals in een flits een ijsvogel door het riet zie schieten, kom ik in Ossenzijl terecht en van daaruit neem ik het schitterende fietspad dat aan de westkant achter de Weerribben loopt. Het waait niet hard maar het is me guur genoeg om menig foto over te slaan en in beweging te blijven. Alleen bij de stalen uitkijkpost stop ik en maak in een bijtende wind snel wat foto's van het winterse rietland.
Het is rustig langs de weg met dit weer maar ik ben toch niet de enige en zo kan ik bovenstaand plaatje maken van een echt dappere fietser. Mijn eigen voeten beginnen inmiddels echt koud te worden en ik krijg ze ook niet meer warm gelopen, tijd dus om huiswaarts te keren en mijzelf op onze verwarmde vensterbank te roosteren te leggen.
En inderdaad wordt maandag zoals gehoopt een heuse fietsplakdag. Mijn hoofd staat er absoluut niet naar en ik voorzie allerlei problemen maar niet kunnen fietsen is een nog groter schrikbeeld en spoort aan tot actie. Eerst maar eens gebeld met Velomobiel.nl om na te vragen hoe kritisch de verwerkingstemperatuur van epoxyhars in de praktijk is.
Het plakken zelf kan nog wel bij een graad of 15 maar dan mag ik rekenen op dikkere kunsthars waardoor het lastiger is om de glasvezelmatjes goed te impregneren. Juist dat impregneren is belangrijk om de boel sterk te krijgen. Het uitharden moet echt bij ongeveer 20 graden gebeuren anders kan de reparatie maanden plakkerig blijven.
Ik zet in de garage een oud petroleumkacheltje aan en wacht een half uurtje. Van 6 graden naar 6,5 graden, dat schiet niet op. Het leuke idee om zeer plaatselijk te verwarmen met een bouwlamp laat ik ook maar voor wat het is: een leuk idee. Ik kan me geen gedoe en gehannes permitteren, de reparatie is voor mij al meer dan spannend genoeg.
Dan moet het epoxyfeestje maar gegeven worden in een vertrek dat wel op temperatuur te krijgen is: de woonkamer. De fiets wordt via de achterdeur moeizaam naar binnen gefrummeld, dit lukt amper zonder extra schade. Daarna is het bukken en kruipen en vooral schuren geblazen om goede hechting voor de verschillende reparaties te krijgen.
Voor het aanmaken van de hars kan ik beschikken over een precisieweegschaal die mijn vrouw gebruikt bij het maken van huidcrèmes. De epoxyhars is al een paar jaar oud en lijkt eenmaal gemengd niet zo dun meer als ik me herinner maar door een beetje door te werken kan ik de belangrijkste schades vrij netjes opknappen. Op het laatst gaan de glasvezelmatjes aan de kwast plakken, een teken om zo zoetjes aan eens te stoppen. Het laatste dikke stroperige restje smeer ik in een openstaande naad die ook nog eens gelijmd moest.
Zo simpel als het hier beschreven staat is het eigenlijk ook, zolang het om eenvoudig lapwerk gaat en er niet allerlei onderdelen uitgelijnd of vastgelijmd moeten worden kan een kind de was doen. Van buiten een paar pleistertjes als troost en om de scherven een beetje vlak en bij elkaar te houden en van binnen een aantal lagen glasvezel met epoxyhars. Goed schuurpapier, een brievenweger en een scherpe schaar is het belangrijkste gereedschap, oh ja, en een warme kamer natuurlijk.
Na een extra rustdag voor fiets en mens, het was achteraf eigenlijk een beetje te gek allemaal, ziet het weer er vandaag vrij rustig uit en ervan uitgaande dat alle omgewaaide bomen zo'n beetje opgeruimd zijn waag ik het er weer eens op. Bij hoge uitzondering mag ik voor vertrek ouderwets een kwartier op de kaart mediteren om te kijken waar ik heen zal gaan. Mijn oog valt op het gebied rond Staphorst.
Tussen de meren bij Giethoorn ben ik een hele poos zoet met mijn fototoestel. Het licht is vlak maar toch een beetje sfeervol met net een zweempje mist. Aan het begin van Zwartsluis staat een prachtig scheef schuurtje dat ik al eens vastlegde terwijl er een schattig koetje uit een raampje keek. Dat schuurtje sla ik vandaag over maar aan de andere kant van de weg ligt een ander schuurtje dat al lang op mijn lijstje staat. Als ik net bezig ben komt tot mijn verbijstering ook uit dit schuurtje opeens een neus tevoorschijn. Een fjord steekt zo goed en kwaad als dat gaat zijn hoofd naar buiten om te kijken wat er gaande is.
Net voor Hasselt steek ik schuin terug richting Rouveen. Ik stop voor een mooi oud schuurtje in een weiland en als ik weer verder wil fietsen komt er opeens iemand bij een woning vandaan gehold en gebaart me te stoppen. Goed volk zo te zien dus vooruit maar, het zal wel weer een praatje over die maffe fiets van me worden.
Er wordt me gevraagd wat of ik daar wel aan het doen was. Oei, dat klinkt helemaal niet naar goed volk. Dat klinkt naar boos en wantrouwend. We zijn hier wel tussen Hasselt en Rouveen, een stukje van de Noordelijke bijbelgordel en als ik me niet vergis heeft de Heer ze er hier nog flink onder. Dat wil soms, zoals iedere sterke overtuiging, wat erosie veroorzaken in de aangeboren gemoedelijkheid van mensen.
Ik biecht braaf op dat ik een foto van een prachtig oud schuurtje gemaakt heb en dat ik dat soort dingen voor mijn plezier doe. De man zegt dat dat natuurlijk flauwekul is, wie gaat er nou zomaar zulke foto's maken. Wat was ik nou eigenlijk echt aan het doen? Ik vertel dat ik allerlei beelden op internet heb staan en dat hij dat zo na kan trekken. Daar stinkt hij niet in zegt ie, dat kan iedereen wel beweren. Dan zie ik opeens dat de man behoorlijk gespannen is.
Omdat ik geen zin heb om een trap tegen mijn versgeplakte fiets te krijgen en ook geen zin heb in een gratis pak slaag bind ik maar een beetje in. Ik bied aan om, als hij het zaakje niet vertrouwt, ter plekke de foto te wissen. Dat aanbod breekt het ijs en de man ontspant zichtbaar. Ik leg uit over mijn fotohobby, laat de laatste paar opnames zien en dan is het helemaal goed.
Uit wat hij verder vertelt krijg ik de indruk dat hij gedoe met de gemeente heeft over bouw- of erfzaken en dat hij vreest dat het bestaan van het oude schuurtje hem problemen zou kunnen geven. Het blijkt hier dus bij nader inzien niet te gaan om vrees voor de Heer maar ik werd aangezien voor een incognito gemeenteambtenaar.
Met trillende benen vervolg ik mijn weg, het was heus niet door het oog van de naald, maar toch ben ik wel even goed geschrokken. Ik heb al vaker wantrouwen mogen ontmoeten maar zo dreigend als vandaag was de situatie nog niet eerder. Het is eigenlijk om je te bescheuren dat ik, die zelf een zware allergie heb voor achterbakse gemeenteambtenaren, er al meerdere malen van verdacht ben zelf zo'n gemeenteambtenaar te zijn.
Ik heb eerder al eens een boer laten schrikken door een oude melkstal te fotograferen. Naast die melkstal lag een echte ouderwetse mesthoop die het plaatje helemaal af maakte. Die mesthoop had eigenlijk al een paar maanden opgeruimd moeten zijn en de boer was bang dat ik bewijsmateriaal aan het verzamelen was. Ik kon hem gelukkig helemaal geruststellen.
Tijdens het fotograferen denk ik er altijd over na of ik mensen in verlegenheid of zelfs in de problemen kan brengen met mijn werk. In Staphorst staan een aantal schitterende boerderijen die ik dolgraag eens vast zou leggen, maar ik heb verhalen gehoord die me er tot nu van weerhouden om daar zonder toestemming te fotograferen. Oude schuurtjes en melkstallen dacht ik probleemloos te kunnen fotograferen, maar ook dat blijkt dus anders uit te kunnen pakken.
Als ik een mestwagen bij een sloot zie lozen zal ik doorrijden en ook dubieuze transacties onder viaducten zal ik niet op de gevoelige plaat proberen vast te leggen, maar verder hoop ik toch nog vele aardige plattelandsplaatjes te kunnen en vooral ook mogen maken. Want vergis je niet, de varkensflats rukken snel op en voor je het weet is het gras omgebouwd tot velomobielflitsstrook, vinexwijk of verplicht natuurgebied.
Pas als ik eenmaal in de fiets op weg ben merk ik hoe verschrikkelijk sikkeneurig ik vandaag ben. Dat ik zo gespannen ben als een te strak opgedraaide veer had ik bij het wakker worden al door, maar dat het humeur ook nog zo beneden peil is is toch nog een verrassing. Het zal me benieuwen of ik daar vandaag nog een beetje verandering in weet te brengen maar er is niet bepaald sprake van een proactieve inzet mijnerzijds.
Achter Havelte zie ik een ree aan de bosrand staan kijken. Ik heb geen telelens mee dus hoef niet eens over fotograferen na te denken. Er komen er nog twee aangehuppeld. Ik wordt uitgebreid bekeken, dan springen ze met zijn drieën elegant het bos in. Het is een prachtig gezicht om de huppelende witte kontjes tussen de bomen te zien verdwijnen en zelfs zonder camera kan ik er notabene een beetje van genieten.
In een weiland zie ik eikenblaadjes liggen, keurig verspreid en van achter beschenen door een laagstaande zon. Het zijn allemaal oranjebruine lampjes in het gras. Alle goede voornemens zijn snel vergeten, ik knijp spontaan in de rem en haal mijn fototoestel te voorschijn. Het gras is nat en hoog dus al snel heb ik natte knieën, natte voeten en een nat achterwerk. De al veel vaker node gemiste vuilniszak als kruip- en ligzeiltje moet nu toch eindelijk eens aan de fotouitrusting toegevoegd worden.
Tussen Echten en Ruinen wordt het fietspad geblokkeerd door een afgebroken boom die midden over het fietspad ligt. Ik stap uit en doe zonder fiets wat verkenningswerk met als conclusie dat er echt geen doorkomen aan is in dit hobbelige bos met overal geulen en stronken. Als ik mijn fiets een beetje heel wil houden kan ik beter omkeren en een andere route verzinnen.
Dan zie ik een wandelpad liggen dat evenwijdig aan het fietspad lijkt te lopen. Als ik daar nou eens op kan komen zou het toch moeten lukken om die boom te omsluipen. In mijn achterhoofd zegt een stemmetje dat ik dit niet moet doen, gewoon omkeren en niet zo meieren, wat geeft dat nou om eens een keer af te moeten druipen. Mijn stronteigenwijze ego sleept echter prompt de Quest achterstevoren het bos in naar het wandelspoor. Ik zie dat ik verduveld op moet letten, één foute beweging met de fiets en ik kraak de onderkant op een stronkje of boomwortel. Als op eieren wurm ik me voorzichtig over het spoor en weet alle obstakels keurig te omzeilen.
Dan zie ik een verharde dwarsweg die even verder weer op het fietspad uitkomt. De doorbraak is geforceerd, ik heb overwonnen! Door de overwinningsroes verslapt mijn aandacht een seconde, precies lang genoeg om de fiets met een luide kraak op een ielig boomstronkje te laten vastlopen. Het scheurende geluid gaat door merg en been, alleen over de lengte van de scheur kan nog twijfel bestaan.
Dat blijkt wel als ik vervolgens inspecteer. Vanaf het linker voetgat is een lap van een paar centimeter breed en bijna tien centimeter lang losgerukt en hangt nog aan een kant vast. Tranen springen in mijn ogen. Kan ik wel, durf ik wel, mijn geliefde Quest zo zinloos en hufterig mishandelen. Waar ben ik ook in vredesnaam mee bezig, arrogante kwast die ik ben.
Vlak voor de verharde dwarsweg glipt de fiets me bij een klein greppeltje opeens uit handen en duikt met de neus tegen een bult aan de overkant. Met luid gekraak komt de fiets tot stilstand. En zo weet ik binnen een minuut een tweede scheur in de fiets te bewerkstelligen. Een felle vloek knalt door het bos. Huh? Nog iemand in de problemen hier? Welnee, ik was het zelf. De wanhoop slaat toe, ik vraag mezelf opnieuw af waar ik in vredesnaam mee bezig ben en zou het liefst ter plekke door de bliksem uit mijn lijden verlost worden.
Geen bliksem echter, alleen twee hardlopers die vragen of het een beetje gaat allemaal. Het kan niet anders dan dat ze de vloek gehoord hebben. Met moeite mompel ik iets terug in verschrompeld Nederlands. Ik leg de fiets op zijn kant voor een uitgebreide inspectie en zoek in mijn duizend-dingen-doosje naar wat tape om de losgekomen reep vast te zetten. Tape blijkt echter nummer 1001 te zijn op mijn duizend-dingen-lijstje en zit dus niet in het doosje. Met wat gefrummel kan ik een en ander een beetje vastklemmen, iets anders zit er niet op.
De kraak aan de voorkant valt een beetje mee, hier gelukkig geen open wonden maar alleen gebroken vezels en lakschade. Er zal een laag achter geplakt moeten om weer stevigheid te krijgen en dan moet er ooit geplamuurd en gelakt. De schade bij het voetgat is wat lastiger maar zit wel weer wat minder in het zicht. Het vervelendste is misschien nog wel dat epoxy plakwerk bij 20 graden moet gebeuren om goed uit te harden. Ik zou niet weten hoe ik mijn schuurtje op dit moment op zo'n temperatuur krijg. Misschien moet het maar een noodverbandje worden tot er betere tijden aanbreken.
De rest van de fietstocht voel ik me miezerig, mislukt en zo mogelijk nog zwaarmoediger dan voor het grote kraken. Ik maak met gepaste tegenzin her en der nog een foto maar veel plezier kan ik er niet meer aan beleven. Voor een enorme doolhofzwam die ik al vaker fotografeerde maak ik maar een uitzondering, hij kan er ook niets aan doen verder. Hier doe ik toch nog serieus mijn best om de bijzondere patronen van de lamellen netjes vast te leggen.
Na een kwartier liggen, kruipen, kleumen en klikken klim ik voorzichtig weer in de fiets, vooral het linkertrapgat moet ontzien worden om geen stukken fiets te verliezen. Thuis gaat de fiets meteen de schuur in, wat een geluk dat ik die tenminste al weer opgeruimd en ingericht had. Zondag ondag, maandag plakdag?
Twee lekke banden was de opbrengst van mijn fietstochtje vorige week. Op een van de weinige droge momenten in het weekend verzamel ik al mijn moed om de buitenbanden eens beter te inspecteren. Normaal doe ik dat in het knutselhok maar daar is het nog steeds een gruwelijke bende. Gewoon buiten bij de voordeur dus maar.
Als ik de fiets uit zijn hokje trek voel ik slappigheid en al snel zie ik dat de achterband zacht is. Dat is dus lek nummer drie. Gelukkig heb ik van deze laatste onder het fietsen geen last gehad. De fiets gaat eerst op de ene zijkant en later op de andere en ik kijk alle banden grondig na. Alles wordt gedemonteerd en vervolgens wordt er royaal met talkpoeder in de buitenbanden gestoven. De buitenbanden worden met een priem zorgvuldig schoongepulkt.
Het lek in de achterband lijkt veroorzaakt doordat de binnenband aan de ruime kant is en is gaan dubbelvouwen in de buitenband. Op één zo'n vouw is een klein haarscheurtje ontstaan en daar zit ergens een piepklein gaatje. Zo klein dat de afwasteil er uiteindelijk nog aan te pas komt om het gaatje te vinden.
Ik plak niks, heb er geen zin in vandaag, maar leg een nieuwe binnenband om. Plakken komt later wel als de schuur weer een klein beetje op orde is. Omdat ik zie dat de Vredestein HPV een beetje sleets begint te worden gaat er maar weer het oude vertrouwde rode antileklint in. Het zal iets zwaarden fietsen maar omdat mijn snelheden al maanden zo laag liggen dat ik niet eens meer op de teller kijk zal ik er waarschijnlijk weinig hinder van ondervinden.
Dinsdag wordt dan eindelijk de vloer van de garage afgesmeerd, op dit snotklusje heb ik bijna een maand moeten wachten. Nu kan ik ook zelf weer eens de mouwen opstropen en de nieuwe (en weer even hard tochtende) garagedeur isoleren en aftimmeren. Het daarna opnieuw inrichten van het ontruimde gedeelte valt me zwaar, er is een fris geheugen en een helder denkhoofd nodig om te herinneren waar alles stond en hoe alle plankjes en haakjes ook al weer hingen.
Zo'n hoofd ontbeer ik al een hele poos en al spoedig sta ik wazig en verward voor me uit te staren en weet eigenlijk niet meer zo goed waar het ook al weer om ging. Ik probeer uit wanhoop een nieuwe inrichting te verzinnen maar dat lukt al helemaal niet. Paniekgevoelens slaan toe en ik vervloek mezelf omdat ik de nieuwe garagedeur niet geweigerd heb. Het lijkt allemaal zulk zinloos geworstel.
Na een uitgebreide time-out blijkt de hersenschors toch nog een klein beetje te functioneren: ik herinner me plotseling iets! Die doosjes met schroefjes stonden niet tegen de zijmuur maar boven de draaibank. Door dit korte heldere moment zijn niet alle inrichtingsproblemen opgelost maar er valt wel van alles op zijn plek. Met hernieuwde moed hang ik een aantal planken op en schroef haken aan de muur. Driewerf hoera, het werkblad van de zaagmachine glimt me zelfs alweer tegemoet tussen de latjes en stokjes en doosjes.
Als ik bijna aan de laatste rommeltjes toe ben begin ik spontaan schroefjes recht in bakjes te leggen. Dat is geen goed teken. Ik heb het gelukkig zelf vrij snel in de gaten en dwing mezelf het hok af te sluiten en naar binnen te gaan. Het is mooi geweest, als het moet kan ik weer een band plakken of een veerpoot reviseren, meer is voorlopig even niet nodig.
De volgende dag heb ik van pure uitputting een flinke terugslag, ik ben angstig en verward en kom pas een klein beetje tot rust als ik met mijn fototoestel een rondje maak door het bos. Het wordt helaas een kort rondje want al snel begint het te regenen en aan de lucht te zien wordt het voorlopig niet meer droog. Mijn camera en lens zijn niet waterdicht dus ik druip vrij letterlijk af met het fototoestel verstopt onder mijn jas.
Toch heeft de regen lekker niet kunnen verhinderen dat mijn doel van vandaag, het vastleggen van een prachtig rood bloeiend mosje dat ik op een eerdere boswandeling al ontdekte, inderdaad gelukt is. Thuis vind ik op internet sneller dan verwacht de naam van het mosje, het blijkt te gaan om de 'rode heidelucifer'. Wat een mooie naam voor dit prachtige plantje.
Ik hou het in de gaten, zo te zien begint de bloei pas en dit smaakt beslist naar meer. 'Rood met groen, boerenfatsoen', zei mijn vader vroeger spottend, waarmee hij aangaf dat die kleuren niet bij elkaar gedragen horen te worden. Hij had er zelf natuurlijk lak aan en droeg met plezier kleurencombinatie's die een hele ambtenarenvergadering van slag brachten.