Was ik maar wat flinker geboren. Ik doe echt mijn best vandaag en ga ondanks luchtaanvallen en veel artillerievuur zelfs nog even naar buiten voor een onnozele boodschap. Op de terugweg is er opeens een serieuze barricade verrezen en de bezetter gooit in het wilde weg met handgranaten. Ik sta doodsangsten uit maar weet via slinkse omwegen toch heelhuids thuis te komen.
Goddank werd er niet naar mijn persoonsbewijs gevraagd want toen ik de nieuwe aanvroeg is de oude ongeldig gemaakt met een perforator en die gaatjes door mijn hoofd zouden vast vraagtekens opgeroepen hebben bij de immer argwanende vijand.
Thuis ga ik uitgeput op de bank liggen en besluit af te zien van de al lang weer verlopen traditie die ik dit jaar nieuw leven in wilde blazen: mijn oudejaarsritje met de velomobiel. Van carbidpot naar carbidpot, op een veilige afstand heeft dat carbidschieten nog wel iets ambachtelijks ook. De oorlog woedt me buiten echter net even te hevig.
Dan maar een door de mand gevallen laffe angsthaas, dat is altijd nog beter dan met je velomobiel op een vergeten bermbom rijden of een verdwaald melkbusdeksel door je helm heen krijgen. Het moet eigenlijk met een oude voetbal, dat is een stuk veiliger maar er zitten nu eenmaal waaghalzen tussen.
Ik hou niet van tradities, vooral niet als ze veel herrie maken. Na elke knal sta ik weer net even wat strakker afgesteld en het zal zo niet lang meer duren voor ik zelf knal. Oliebollen bakken? Ook al zo'n stomme traditie, weg er mee, dit jaar geen oliebollen. Net als vorig jaar, en het jaar daarvoor, en het jaar daar weer voor... He, dat klinkt alweer als een andere traditie, als het traditioneel niet-bakken van oliebollen.
In blinde paniek zoek ik een recept van oliebollen maar er is geen gist in huis en de frietpan stinkt naar oude kroketten. Ik pas het recept hier en daar een beetje aan, de krenten worden vervangen door hazelnoten, van de stukjes appel maak ik gemalen anijszaad en om het allemaal weer goed te maken roer ik er nog een ei doorheen, waarover later meer.
Vijfentwintig minuten later is een nieuwe traditie geboren en ze heten Friese Duumkes. Ze zijn verrukkelijk en ik vermoed dat dit eerder een wekelijkse traditie gaat worden dan een jaarlijkse. Hier is het recept:
150 gram margarine
150 gram suiker
2 eieren
250 gram bloem
snufje
zout
100 gram geroosterde hazelnoten
2 theelepels gemalen anijszaad
1
theelepel kaneel
1/2 theelepel gemberpoeder
Regel een, twee en drie samen schuimig roeren, neem daar vooral de tijd voor, dan regel vier t/m negen toevoegen. Ik maakte er ongeveer 40 koekjes van en volgens de traditie moet je net na het bakken (25 minuten op 150 graden) je duim tot verbrandens toe in al die hete koekjes drukken om er echte duumkes van te maken. Friezen zijn stoer en vuurvast, dat blijkt wel weer.
Nog even over die twee eieren. Ik heb er maar één gebruikt wat voortkomt uit mijn traditie om altijd minder ei te gebruiken dan voorgeschreven wordt. Niet omdat ik niet van eieren hou maar vooral uit diep respect voor de kip die ze weet te leggen.
Voor mij is een ei iets kostbaars, vooral omdat het me nog steeds niet gelukt is om er zelf een te leggen. Alles wat anderen kunnen wat ik niet kan vind ik knap dus kippen dwingen bij mij respect af en daarom ben ik zo zuinig met eieren dat mijn meeste baksels niet te vreten zijn, aldus sommige niet nader te noemen bronnen. Voor deze Friese Duumkes met één ei te weinig steek ik echter mijn duim in het vuur. Wat zeg ik, mijn hele hand.
Of er nog voornemens zijn? Ja, die zijn er zeker. Komend jaar meer kolder, meer flauwekul en minder logica, dat is wat ik me voorneem. Ik heb meer dan een half leven (dat hoop je dan maar) doorgebracht met nauwgezet en zorgvuldig redeneren en ben er amper verder mee gekomen. Hoogste tijd dus om de ratio aan de wilgen te hangen en me vanaf nu gewillig over te geven aan de klinkklare kolder. Wie weet ga ik zelfs nog wel eens mijn eigen eieren leggen.
Zou ik toch bijna vergeten om iedereen een voortreffelijk 2010 toe te wensen. Bij dezen dus en nadrukkelijk spreek ik ook nog de wens uit dat geen van mijn lezers komend jaar administratief geruimd gaat worden. Kolderze!
Ik ben niet gek, ik ben een trol met drie ogen. Dat derde oog verstop ik onder mijn muts als ik op pad ga naar het gemeentehuis voor dat wat ik niet wil maar wat wel moet: het verlengen van mijn persoonsbewijs. Mijn zelfgeknutselde pasfoto, ik heb mijn alziende oog maar even weggeretoucheerd, steek ik heel handig in een oud hoesje van een officiële pasfotograaf en bij de burgermansbalie haal ik die foto overdreven omslachtig uit dat echte hoesje.
Het trucje werkt boven verwachting en mijn pasfoto wordt zonder enige aarzeling of verdere controle goedgekeurd. Al snel mag ik mijn wijsvinger op een piepklein scannertje leggen, gevolgd door mijn duim, nog een keer mijn duim en nog een keer diezelfde duim. De computer is niet zo enthousiast over mijn duim en vind hem nogal sleets. Dat krijg je ervan als je er altijd maar van alles uit loopt te zuigen.
Maar we zijn nog niet klaar, die database moet wel lekker vol met vingertjes dus ook mijn andere hand moet er aan geloven. Rechter wijsvinger is in een keer goed, duim ook. Dan moet ik alleen nog even ergens een krabbel zetten, mijn beurs leegkieperen en klaar is kees. Zo makkelijk gaat dat, meedoen aan de moderne maatschappij die tot in iedere uithoek waakt over jouw veiligheid en welbevinden.
Buiten slaak ik een zucht van verlichting die volkomen misplaatst is. Het voelt alsof ik het ergste nu achter de rug heb maar dat is een domme vergissing want het ergste ben ik nog maar net aan begonnen: mijn verdere digitaal ingeblikte bestaan. Dat mijn zelfgemaakte pasfoto moeiteloos werd geaccepteerd is een overwinning die echt heel erg mager afsteekt bij het zware principiële verlies dat ik heb moeten nemen.
Er is geen troost, of het moeten de vlaggetjes zijn die me in eigen voortuin verwelkomen als ik weer thuis kom. Ik mag er van mezelf een foto van maken wat met de lichte bries die om de hoek van de garage komt nog een hele klus is. Daarna wacht een andere klus: de achterveer van mijn Quest begint door de kou wel erg stroef te worden en wil graag wat onderhoud hebben.
Ik zou me er makkelijk vanaf kunnen maken met hier en daar een drupje olie maar zo ben ik nu eenmaal niet, het hele ding moet natuurlijk weer uit elkaar tot op het laatste schroefje en tot het gitzwarte smeervet weer als vanouds op voorhoofd en ellebogen zit. Nu zou ik best even met mijn vingers op die stomme snotscanner willen, kon je nog eens lachen.
Zo gaat dat in Nederland. Eerst is er opeens een pak sneeuw waar elke jeugdige spoorwissel U tegen zegt en iedereen loopt te gillen en te jammeren dat het toch echt niet zou moeten mogen, al dat oponthoud onderweg. Kamervragen, parlementaire enquête, hoe kan dat nou toch al die sneeuw en wie heeft het gedaan. Net voor we een beetje gewend zijn aan het geglibber en geglij komt er een warme luchtstroom langs met wat regen en foetsie is alle sneeuw.
Maar niet getreurd want ik heb het er op staan hoor, al die witte sneeuw. Bloednerveus word ik nadat de eerste laag gevallen is want dat moet wel even allemaal gefotografeerd worden, door mij natuurlijk. Sneeuw op het Doldersummerveld, sneeuw op het Aekingerzand, sneeuw in het Reestdal, sneeuw, sneeuw en nog meer sneeuw.
Veel van wat ik meen te moeten fotograferen lukt me niet. Te veel om uit te kiezen en vooral te onbereikbaar vanwege de winterperikelen op de weg. Het Doldersummerveld heb ik dus niet gehaald en ook Aekingerzand en Reestdal glijden tussen mijn vingers door.
Maar de Weerribben krijg ik wel voor elkaar, naar volle tevredenheid zelfs, en ook op de Woldberg kan ik mijn hart ophalen aan wit uitgeslagen landschapjes. Ik loop er moeizaam met mijn crossfiets door meer dan dertig centimeter sneeuw te slepen en waan me even in de Ardennen. Geen mens te bekennen, wel overal hoefjes van hongerig wild. Alleen wolf en lynx ontbreken nog in het bos.
Een fotografisch zeer interessante ontdekking is dat ik ook met deze sneeuw mijn witbalans niet hoef aan te passen. Uit boekjes heb ik vroeger geleerd dat sneeuw al snel leidt tot ellendige kleurverschuivingen omdat de camera zich verslikt in dat witter dan witte wit. Ik vermoed dat dat vooral voorkomt bij het gebruik van de automatische witbalans, iets waar ik toch al nooit gelukkig van werd.
Ik kijk extra kritisch naar mijn eerste witte winterplaatjes en vind de foto's een heel klein beetje te blauw. Dan kijk ik eens naar buiten en zie precies datzelfde blauwachtige wit. Niets meer aan doen dus, helemaal perfect. Hetgeen opnieuw mijn vermoeden bevestigt dat je de automatische witbalans van een digitale camera maar het beste links kunt laten liggen.
Ik ben nu al aan mijn vierde digitale camera bezig en stel voor de vierde keer vast dat een min of meer vaste instelling van de witbalans in de meeste gevallen het beste, lees natuurlijkste, resultaat geeft. De juiste temperatuur wisselt per cameramerk en soms zelfs per model maar als ik eenmaal mijn favoriete kleurtemperatuur heb uitgefiedeld wijk ik daar buiten nog maar zelden van af.
Zo ben ik bij mijn Olympus E510 en E620 uiteindelijk uitgekomen op 5800 Kelvin. Alleen in de zomer schuif ik op zonovergoten dagen soms een stukje op naar 5400 K en als de bewolking heel hardnekkig is wil ik nog wel eens voor 6000 K kiezen maar meestal is dat toch vooral om mezelf het idee te geven dat ik niet al te gemakzuchtig bezig ben.
Zelfs bij het pak sneeuw van afgelopen week blijk ik mijn camera dus het beste op die 5800 K te kunnen laten staan, iets wat ik echt niet verwacht had. Dat was dus een korte maar in fotografisch opzicht zeer leerzame winterse periode.
Wat niet zo leerzaam is omdat ik dat al lang wist is dat je bij zo veel sneeuw in beeld flink moet overbelichten. Een belichtingsmeter is nu eenmaal zo ingesteld dat van heel veel wit bij voorkeur grijs gemaakt wordt maar omdat grijze sneeuw geen gezicht is kan daar dus het beste wel even stevig ingegrepen worden.
Mijn kerstgedachte heeft sinds mijn puberteit voornamelijk bestaan uit het volgende: 'Bukken en wachten, het gaat vanzelf weer over'. Op jongere leeftijd schijn ik zelfs nog eens hartverscheurend gehuild te hebben omdat er geen kalkoen op het menu gezet was, het was zeker weer eens crisis of zo en toen ik begon te jammeren helemaal want dat kan ik erg goed.
In mijn herinnering is dat toch nog helemaal goed gekomen toen mijn vader op weg naar huis of werk een voorgaande auto een kalkoen aan zag rijden. Het was een wilde kalkoen, een fazant dus. Mijn vader is gestopt en heeft het inmiddels overleden (dat is ons tenminste altijd voorgehouden) verkeersslachtoffer in de kofferbak gelegd.
De fazant was verrukkelijk en je snapt werkelijk niet waarom ik later zo nodig vegetariër moest worden. Ik zelf snap dat echter drommels goed, de kiem van die tijdelijke prepuberale dwarsigheid, die onder een andere terminologie nog steeds voortduurt, werd gelegd toen ik een keer samen met mijn vader langs een slachterij in Apeldoorn fietste en om opheldering vroeg.
In dergelijke gevallen hoef je van mijn vader geen kinderdiplomatie te verwachten en niet lang daarna ontdekte ik het woord principe en ben ik vegetariër geworden. Tegenwoordig ben ik dan weer principieel tegen principes dus ik ben geen vegetariër meer maar eet alleen zelden vlees en heel af en toe een stiekem klein visje.
Het nuttigen van zo'n stiekem klein visje roept altijd weer de vraag op of het doodmaken, of het uitbesteden daarvan, van een klein dier minder erg is dan het doodmaken van een groot dier. In mijn ziekelijke hang naar gelijkheid of op zijn minst gelijkwaardigheid ben ik doorgaans geneigd om geen verschil toe te kennen waaruit dan volgt dat je beter olifanten kunt eten dan sprinkhanen want voor dezelfde hoeveelheid vlees hoef je immers veel minder olifanten te doden.
Terug naar de alweer bijna vergeten kerstgedachte waar ik mee begon. Die heb ik dit jaar niet. Dat lijkt armoedig maar is voor een dwarsig figuur als ik toch vooral een verademing. Ik kan het zelf ook nog niet helemaal geloven maar het heeft er tot nu toe alle schijn van dat ik het principieel schijnheilige kerstfeest dit jaar zonder al te veel vooroordelen tegemoet zie en dat kon wel eens een indrukwekkende mijlpaal zijn.
Het helpt natuurlijk enorm dat mij geen groot familiedrama met eindeloze tafel-taferelen en drommen jammerende en vechtende neefjes en nichtjes te wachten staat en wie wel een dergelijke klus moet klaren wens ik daarbij veel wijsheid en verlichting toe.
Omdat voor de meeste mensen de werkelijke kerstgedachte vooral uit eten bestaat hierbij nog even mijn eigen kerstmenu. Koeskoes (daar zit geen één koe in), bleekselderij, vers geslachte spruitjes (heel veel dus heel zielig) en natuurlijk een overheerlijke worteltjestaart. Zal dat even smullen worden.
Woorden schieten te kort, maar ik ben tegen, tegen, tegen en nog eens tegen. Tegen de politiestaat, tegen de identificatieplicht, tegen de vingerafdrukdatabase en tegen al die andere zwaar doorgedraaide bureaucratistische flauwekul. Het is de hoogste tijd voor maatschappelijke ontspanning en bezinning en we zitten echt te springen om een nieuwe Simon Vinkenoog die de verharde gemoederen een beetje weet te kietelen. Maar woorden schieten te kort dus ik hou het bij hoge uitzondering hier zelf ook eens even kort.
Ik ben eigenwijs, was dat eigenlijk al wel bekend? Vast wel. Dus ik probeer natuurlijk toch opnieuw die pasfoto te maken. Vandaag wil mijn camera wel scherpstellen, geen idee waarom want het is net zo grauw als gisteren. Ik zet de flitser achterstevoren op de camera en zet achter het statief een oud diascherm zodat er een grote witte reflectiewand ontstaat.
Eindelijk een keurige egale achtergrond voor mijn pasfoto, nu moet ik alleen nog mijn kop zien recht te houden. Honderd foto's later zit er inderdaad een opname bij die met wat digitale ingrepen bijna recht komt te staan. Tjonge, ik wist niet dat ik zo chronisch op half zeven door het leven ging.
Om mijn humeur nog wat verder op te vijzelen maak ik mezelf als toegift nog een beetje mooier. Dat mag niet van Fotomatrix model 2007 maar ik doe het lekker toch. Mijn verzetje en meteen ook mijn verzet.
Binnenkort maar eens bij het gemeentehuis langs wippen om te vragen of mijn keurige pasfoto geaccepteerd wordt. Er schijnen daar bij burgerzaken een paar verschrikkelijke mierenneukers te zitten die werkelijk elk oogje natellen dus het wordt misschien nog even spannend. Ik hou je op de hoogte, tenzij ze me vangen en opsluiten.
Word ik me daar toch ergens midden in het soppende Steenwijk een kerstdepressie ingereden van heb ik jou daar zeg. Ik word er eerst even stil van, bijna zo stil als een doodgespoten zwangere geit. Maar dat is weer een heel ander verhaal en het enige dat ik daar nog even over kwijt wil is dat ik blij ben dat onze Feta formeel geen Feta is maar slechts een 'kaasproduct in Griekse stijl' want gemaakt van koemelk. Alsof koeien uit de intensieve veehouderij een beter leven beschoren is, hoe hypocriet kun je zijn.
Een heuse kerstdepressie dus. Ik fiets midden in Steenwijk, de weg is schoon en het fietspad niet, wat officieel ongetwijfeld iets met Kopenhagen of het milieu te maken heeft. In werkelijkheid komt het natuurlijk omdat de veegploeg ergens achter op de gemeentewerf in een schaftkeet klaverjassend en met de schoenen op tafel vorstverlet zit te vieren.
Geeft niks hoor dat de fietsstrook vol sneeuwbagger ligt, ik schuif zonder mopperen gewoon even een stukje op, dat mag vast wel. Maar niet van die geautomobiliseerde debiel die pal langs me schuift met zijn autootje en op die manier probeert om me in de sneeuwprut op mijn gezicht te laten gaan. Tien centimeter was het, of nog wat minder. Strafbaar in mijn ogen maar elke agent zou je recht in je gezicht uitlachen.
Na de schrik ben ik woedend en ik gooi al mijn frustratie over het aanhoudende onbeschofte winterse rijgedrag van mijn ingeblikte medeschepselen er met zo veel kracht uit dat heel Steenwijk geschokt opkijkt. Van her en der een platgereden fietser kijkt geen mens nog op maar oh wee als je luidkeels uiting geeft aan je weigering om je dood te laten rijden door een onbenul in een stuk blik. Als toegift slinger ik nog een paar flinke krachttermen achter de onverlaat aan het luchtruim in.
Zo'n poging tot omverrijden is op zich niet genoeg om mij een kerstdepressie binnen te loodsen, ik ben heus wel wat gewend als onverschrokken fietser, maar er was een dag eerder al een grijsgrauwe en vruchtbare ondergrond gelegd door andere zaken.
Mijn identiteitskaart, hier verder persoonsbewijs te noemen, is per midwinter verlopen. Formeel mag ik nu niet meer naar buiten en zelfs binnen ben ik in bepaalde situaties mogelijk al illegaal. Ik vind het geen prettig gevoel om illegaal te zijn en wil daar graag een einde aan maken maar daartoe dien ik tot maximaal vier vingerafdrukken af te laten nemen en dat voelt toch ook weer niet zo prettig. Kortom, ik zit behoorlijk klem tussen mijn achterhaalde principes en de realiteit.
Ik was al enige tijd op de hoogte van deze op handen zijnde problematiek en om mezelf een beetje te sparen heb ik geprobeerd om het te vergeten. Dat is prima gelukt totdat mijn persoonsbewijs definitief verlopen was en dat was dus gisteren. Ik heb nog steeds geen list verzonnen waardoor helaas weinig anders rest dan binnenkort met hangende schouders de zware gang naar het gemeentehuis te ondernemen alwaar ik machteloos gedigitaliseerd zal worden.
Je moet trouwens ook nog een pasfoto inleveren. Ik scharrel wat in een kastje en vind zowaar nog een oude maar best aardig gelijkende opname. Nog niet grijs maar dat vind ik helemaal niet zo erg. Als ik op internet wat rondneus ontdek ik dat de te leveren pasfoto moet voldoen aan 'fotomatrix model 2007'.
Zo'n spannende Orwelliaanse titel maakt nieuwsgierig dus ik haal het PDF bestand op en lees de kostelijke lectuur van voor tot achter. Kort samengevat luidt de matrix, ik weet eerlijk gezegd amper wat een matrix is, als volgt: 35 x 45 mm, geen groothoekneus (ik ben juist dol op groothoekneuzen), een doodsaaie egale achtergrond, fietshelm af, ogen open, netjes rechtop zitten, totalitair midden op de foto en bovenal is het ten strengste verboden om blij te kijken.
Toen lang geleden mijn vorige pasfoto gemaakt werd leefden we nog niet in een ontaarde politiestaat en lachte ik af en toe nog, zelfs tijdens het maken van die pasfoto. Dus die is niet meer geldig, die ontspannen tijden zijn voorgoed voorbij. Ik zin op wraak maar vind het eigenlijk net wat te ver gaan om al mijn vingers af te hakken. Dat helpt inderdaad niet erg bij die pasfoto maar wel tegen die ellendige vingerafdrukken, probeer dan nog maar eens wat te scannen.
Dan maar een zelfgemaakte pasfoto, heb ik er toch nog een klein beetje zelf de hand in gehad, in mijn kennelijk onontkoombare digitalisering. Maar drie uur later ben ik de wanhoop nabij en geef het op. Niet lachen lukt nu heus wel maar ik ga volledig onderuit op de verplichte egale achtergrond. Wat ik ook probeer met een oud diaprojectiescherm, stukken karton en een plaat hardboard, telkens is er verloop in de belichting van boven naar onder of van links naar rechts. Gek word ik er van.
Als ik dan eindelijk met luxaflex en een uit zijn scharnieren gelichte tussendeur de juiste achtergrond heb weten te fabrieken is het alweer zo schemerig geworden in mijn pasfotostudiohok dat mijn camera weigert om nog scherp te stellen op mijn gezicht. Zoiets heb ik dan weer en wat een afschuwelijke afgang om als ervaren fotograaf alsnog naar een fotozaak te moeten voor een doodsimpele pasfoto, dat kan toch iedereen.
Vooruit maar weer, ieder zijn vak. De pasfotograaf mag binnenkort mijn zure tronie met kerstdepressie vereeuwigen, doe ik de winterbloemetjes met sneeuw wel. Bij uitzondering met een egale achtergrond, waarschijnlijk omdat ik inmiddels besmet ben met de totalitaire matrix 2007 bacterie.
Het is gekkenwerk, nergens voor nodig en eigenlijk totaal onverantwoord maar ik doe het lekker toch. Tukkie fietsen door de sneeuw. 'Jongeman, zou je niet veel beter een wandeling gaan maken?'. 'Vanzelfsprekend, maar ik wil geen wandeling maken, ik wil een stukje fietsen in de sneeuw'.
En zo ga ik dan tegen beter weten in met mijn Quest op pad. Ik heb nog heel even mijn tot stadsfiets gedegradeerde ex-mountainbike overwogen maar als mijn vrouw begint te griezelen over uitglijdende fietsers met kostbare camera's om hun nek zie ik daar maar snel van af.
Het doel van de gedurfde expeditie is om het cultuurhistorisch middelpunt van de Weerribben te bereiken maar of dat ook daadwerkelijk gaat lukken is nog maar zeer de vraag. Dat het me lukt om fietsend bij huis weg te komen is eigenlijk al een wonder en dat wonder heb ik vooral te danken aan mijn schuif-, veeg- en strooigrage buurman. Hij heeft de startbaan precies lang genoeg gemaakt om flink vaart te maken waarna ik net op gang kan blijven in de aangereden prut.
Met uiterste krachtsinspanning weet ik de centrale uitvalsweg van de wijk te bereiken. Daar is de weg iets schoner en kan ik min of meer normaal fietsen. Ik had natuurlijk een winterband of sneeuwketting moeten monteren maar tegen de tijd dat ik dat voor elkaar heb is de sneeuw al weer weg dus ik gok het er zo maar op.
Dat gaat een heel stuk vrij aardig en ik begin al bijna een goed gevoel te krijgen over mijn ongebruikelijke branieschopperij maar in Basse, zo'n naam vergeet je nooit meer, ligt veel te veel sneeuw in de bocht dus ik loop vast en moet uitstappen.
De uitvinder van de SPD pedaalbinding mag wat mij betreft per onmiddellijk ingevroren worden, die gestoorde snertblokjes zitten na één stap al vol sneeuw en prut en slechts met veel misbaar, gestamp en geweld weet ik nog weer min of meer verbinding met mijn pedalen te krijgen. Wat een primitief gestumper.
Honderd meter verder loop ik opnieuw vast in sneeuw die niet los is en ook niet vast maar precies daar tussenin zit. Ook met mijn lichtste klimverzet dat bijna geschikt is om tegen een muur op te rijden kom ik er met geen mogelijkheid doorheen, ik zak dwars door de paplaag heen en sta dan muurvast. Daar zou geen winterband of sneeuwketting wat aan hebben kunnen doen.
Lopen en duwen dus maar. Het land is leeg en verlaten dus ik hou me niet in en laat uit volle borst weten wat ik er allemaal weer eens van vind. Kort samengevat komt het er op neer dat ik dom en eigenwijs ben, dat auto's nu eindelijk eens verboden zouden moeten worden en dat een Quest totaal ongeschikt is voor het echte winterwerk.
Bij de foto: Nee, dat is geen oprechte glimlach maar een valse grijns. Men wil niet weten hoeveel auto's mijn camera op statief hier van de weg jagen als ik in dit stukje niemandsland tussen niks en nergens probeer een bescheiden zelfportretje te schieten. Wat een idiote drukte, het lijkt verdorie Nederland wel.
Bij een kruising kom ik weer op een weg uit waarvan tenminste één spoor schoongereden is en in het lichtste verzet lukt het nu om trappend voorwaarts te glibberen. Het is verbazend hoe druk het is en het is ronduit verbijsterend hoe griezelig dicht de auto's langs me glibberen. Opnieuw bewijzen hele roedels automobilisten dat ze diep gestoord en knotsknettergek zijn en geen greintje respect hebben voor de enige fietser die vandaag door de Weerribben ploegt.
Zelfs vijftien centimeter ruimte geven blijkt af en toe nog teveel gevraagd en ik heb spijt dat ik geen riek of zeis dwars over mijn fiets heb gebonden want dat zou de zaken ongetwijfeld een geheel ander beloop hebben gegeven.
Tussen het mopperen en ploeteren door is er af en toe toch nog een momentje om tevreden te zijn, bijvoorbeeld omdat het me vandaag lukt om dwars door de Weerribben te fietsen. Vraag niet hoe of waarom maar ik flik het hem toch maar mooi. Op het hoogtepunt van de expeditie laat zelfs de zon zich even zien dus naast de expeditieleider kan ook de expeditiefotograaf tevreden zijn.
Een dergelijke expeditie is wat mij betreft echter niet voor herhaling vatbaar. Een stukje fietsen in te veel sneeuw is tot daaraan toe en dat je een keer een stukje moet lopen geeft ook niks maar al die levensgevaarlijke gemotoriseerde gekken op de weg vergallen mijn winterpret behoorlijk. Verder gaat er in het driesporig sneeuwploegen zo veel energie zitten dat ik amper puf heb om nog foto's te maken terwijl het daar toch vooral om begonnen was.
Na de Weerribben volgt de hel van Weteringen die bestaat uit akelige sneeuwpap gevuld met veel onsmakelijke stukjes ongeduldige automobilist. De stukjes automobilist durven zelf niet in de losse sneeuw te rijden maar verwachten van mij dat ik dat als onbetekenende fietser wel doe. Ik strand zelfs een keer in een sneeuwrichel omdat ik ijskoud van de weg wordt gereden en heb er spijt van dat ik mijn raketwerper vandaag thuis liet liggen.
Na Scheerwolde wordt de werkelijkheid weer teruggebracht tot iets redelijker proporties als ik het eerste fietspad van de dag tegenkom waar geschoven én gestrooid is. Wat een weldadige luxe, het kan niet op en waar heb ik dat als fietser weer aan verdiend.
Na meer dan een maand van aanhoudende grauwe bewolking die gepaard ging met regen afgewisseld met buien valt er wel wat in te halen. Ik heb niet de hele periode binnen zitten kniezen maar al te vrolijk werd ik er als natuurfotograaf nu ook weer niet bepaald van.
Het belooft nu weer eens een aardige dag te worden en 's morgens vroeg hou ik mijn website van het jaar, www.sat24.nl , nauwlettend in de gaten. Wordt het wat of wordt het niets? Ik krijg niet helemaal uitsluitsel maar de tendens die zich aftekent geeft enige hoop en enige hoop is na zoveel grauwigheid reden genoeg om warm water in een thermosfles te doen, een extra hemmetje aan te trekken en moedig de kou in te duiken met mijn fiets.
Het is even wennen, die bijtende vorst in je neusgaten, maar vrij snel heeft mijn lichaam door dat ik buiten ben en dat er dus een beetje bijgestookt moet worden. Er is amper wind, dat maakt het leven lui en aangenaam en al snel sta ik langs het fietspad rietpluimen met rijp te fotograferen.
De dag ontwikkelt zich bijzonder aardig, er komt bewolking opzetten maar die voegt voor de verandering zelfs wat toe aan sfeer en licht dus ik schiet me weer eens ouderwets een slag in de rondte. Het is zo'n zeldzame dag dat je moeite moet doen om foto's te maken die niet mooi zijn.
Ik hobbel op mijn dooie gemak door het rietland van de Weerribben en doe ook weer eens mijn favoriete uitzichtpunt aan, het bruggetje bij Nederland. In het riet staat de allerechtste Nederlander die je je maar kunt voorstellen. Een boer op leeftijd, geboren en getogen in het Nederlandse buurtschap Nederland, staat voor zijn plezier bossen riet te schonen. Nederlandser kun je het niet krijgen.
Ik sta het allemaal eens aan te kijken en we raken aan de praat over van alles en nog wat. Samen vragen we ons af wat er nog van de rietteelt terecht moet komen nu jongere arbeidskrachten er geen zin meer in hebben om voor een grijpstuiver buiten te staan blauwbekken. Het beste riet komt nog steeds uit Wieden en Weerribben, dat mag algemeen bekend verondersteld worden, maar het mindere riet uit Oost-Europa is zoveel goedkoper dat er bijna niet meer tegen op te boksen valt.
Ik vraag de spraakzame oer-Nederlander waarom hij niet zo'n rammelende rietkammachine gebruikt, die zie ik overal in deze streek gebruikt worden. Juist vanwege dat rammelen dus, deze boer heeft er helemaal geen zin in om 's avonds met tutende oren op de bank te zitten en laat zich tijdens het werk graag afleiden door het gezang der vogels of door een nieuwsgierige fotograaf.
Met een eenvoudige houten stok met twee stalen pennen, ik moet hem eigenlijk nog eens vragen naar de naam van dit historische stuk gereedschap, haalt hij gras en kort riet uit de bossen en samen met het zonlicht weet hij een sfeer te creëren waar menig oud-Hollandse meester van gesmuld zou hebben. Zonder toestemming te vragen, ik moet er niet aan denken dat hij nee zegt, schiet ik een uitgebreide serie en beloof om een foto op te sturen.
Dan is het de hoogste tijd om verder te fietsen, de zon staat hoog in de lucht en er is ongetwijfeld nog veel meer in de wereld dat vandaag nog gefotografeerd dient te worden. Omdat anderen dat niet doen, het is verbazingwekkend rustig onderweg, offer ik me wel weer op en neem deze dankbare taak op me.
Als ik al lang thuis had moeten zijn loop ik nog steeds langs de straat te slieren want zelfs de zakkende zon maakt er vandaag een waar feest van. Trapte ik een paar dagen geleden nog amechtig, wanhopig en tevergeefs achter een misselijke zonsondergang aan die me helemaal voor de gek hield, vandaag kan ik op mijn dooie gemak kiezen of ik een populier, een berk of liever een els in mijn kitscherige compositie wil zetten.
Ik kies voor de els en bel halverwege de fotosessie naar huis om te laten weten dat ik wat vertraging oploop door een zonsondergang die me in extase brengt. Nadat ik met elke camera vanuit elke hoek en met elke lensstand de els heb gefotografeerd pak ik mijn spullen weer in en rij meer dan tevreden, de term 'innig gelukkig' valt nu eenmaal buiten de sferen van dit weblog, het laatste stukje naar huis.
Nadat ik begon met het serieuzere fietsen, dus niet je neus ophalen voor een graadje vorst of een paar uur miezerige motregen, duurde het vele jaren voor ik de juiste koukleumbestendige fietskleding bij elkaar wist te sprokkelen. Ruim twintig jaar geleden was er nog niet veel op de markt waar je echt fatsoenlijk de winter mee door kon trappen en wat er was was meestal onbetaalbaar voor een luie student als ik.
De eerste fietswinters herinner ik me als een aaneenschakeling van elfstedenachtige toestanden met continu ijs in snor en baard maar dat komt waarschijnlijk vooral omdat ik het vanwege de verkeerde fietskleding onderweg altijd koud had.
Nooit vergeet ik dat ik dwars door Gouda fiets met bijna honderd winterse natte kilometers achter de rug. Ik ben doorweekt, zit tegen onderkoeling aan en ben niet meer vooruit te branden. Moeiteloos word ik ingehaald door een vrouw op omafiets met veel te dunne kousen aan.
Na die gemene klap in mijn nek kost het uren om met mijn stramme lijf en uitgeputte geest de eindstreep in Rotterdam te halen. Een normaal mens zegt dan: 'Dat nooit meer, zo'n eind fietsen in zulk bar weer' en haalt zo snel mogelijk zijn rijbewijs. Maar ik ben niet normaal en zeg: 'Dat nooit meer, fietsen in de verkeerde kleren'.
Dus ik koop een winterfietsbroek met hypersuperwinddicht op de benen. De prijs suggereert dat het om een degelijk en goed doordacht product gaat. Dan laat de winter zijn eerste voorzichtige glimlach zien en ik val zowat bevroren van de fiets. Best stoer hoor, zo'n glimmende winddichte voorkant, maar als de wind schuin van achter komt blaast ie nog steeds dwars door mijn botten en voor de zoveelste keer besterf ik het onderweg van de kou.
Om het dan tenminste van boven nog een klein beetje warm te houden steek ik mijn laatste centen in een echt winterfietsjack van AGU. AGU is, denk ik dan nog, van de alles trotserende wielrenners dus dat moet wel goed komen. Zwart met geel, verschrikkelijk stoer, zakken op de rug en een windbrekende laag op de voorkant.
De jas is een drama. Als ik onderweg stop om voor de zoveelste keer mijn slippende bracketdynamo aan te moedigen met een extra elastiekje waait de wind niet meer van voor maar van achter, dwars door de rug van het dunne trainingsjasje. Ik sta te vernikkelen en als ik niet als de duvel maak dat ik snel verder fiets vries ik hier nog dood tussen Hoenderloo en Otterlo.
Met nepbont gevoerde winterfietsschoenen blijken te krap en dus ijskoud, hoofdbanden blijken toch weer van katoen en worden nat en koud en dan die handen, altijd weer die natte ijskoude handen waardoor je amper meer kunt remmen of schakelen.
Dan ben ik het helemaal zat en kom tot inzicht. Ik ben helemaal geen wielrenner, ik heb nog het meeste weg van een poolreiziger op de fiets. Dus ik gooi het roer om en koop in een bergsportzaak mijn eerste thermohemd van kunstvezel. Dat scheelt een slok op een borrel en tot mijn verbijstering ben ik nooit meer nat en koud van het zweet, hoe hard ik me ook uit de naad trap.
Ik overweeg het eerste Gore-tex fietspak aan te schaffen dat in Nederland geïmporteerd wordt maar de aanschafprijs staat gelijk aan twee nieuwe racefietsen. Dat wordt me net even te gek. In een aanbieding koop ik als troost een paar onooglijke poolreizigerswanten van Helly Hansen, heb daarna nooit meer last van koude handen en ben dus opnieuw de koning te rijk. Het kan dus toch, je kleden op een winterse fietstocht, als je de wielerspecialist maar mijdt als de pest.
Als ik dat eenmaal door heb gaat het ontwikkelen van mijn eigen kledinglijn verder voorspoedig. Ik stap over op bergschoenen, verlaat het ellendige racestuur en eindig in een ademend regenpak naar eigen ontwerp op een mountainbike die ik zelf bij elkaar buig en las van een van de straat geraapt raceframe. Veel beter kan het niet, denk ik op dat moment.
Maar het kan altijd beter dus de velomobiel komt in mijn leven en mijn zeer uitgebalanceerde kledinglijn die ik in vele jaren opbouwde kan per omgaande naar het Leger des Heils. In een Alleweder heb je geen wanten nodig, geen driedubbele winddichte broek en zelfs geen jas. Dat is wel even wennen in het begin, wat een decadente luxe, het lijkt wel een auto maar dan een leuke want je mag zelf trappen.
Maar zelfs een velomobiel heeft in de winter enige ongemakken. Bergschoenen passen niet dus terug zijn de koude voeten. Helemaal nieuw zijn de oogklachten die ik voor het eerst van mijn leven krijg. Door de stroomlijnvorm komt er veel snelle lucht in je gezicht en daar blijkt 'zomaar een brilletje' niet afdoende tegen.
De echte hernieuwde kleumerij is echter pas van de laatste maanden en heeft vooral met een andere hobby te maken, fotografie. De afgelopen jaren beperkte ik me in de winter onbewust tot snelle kiekjes maar die fase ben ik kennelijk ontgroeit en ik vernikkel onderweg weer ouderwets als ik eindeloos sta te wachten op het juiste zonnetje of het perfecte wolkje. In een tochtend dun fleecetruitje, ik lijk wel niet wijs.
Mijn prima velomobielpakje is absoluut niet berekend op eindeloos lanterfanten in een straffe polderwind en ik besluit dat daar snel verandering in moet komen. De winddichte broek wordt weer van stal gehaald en ik koop een ademend en winddicht hardloopjasje dat ik in de Quest gewoon aan kan houden.
De overstap van slobberende hobbezak naar een strak gesneden jasje is even wennen maar als ik bij Belt Schutsloot sta te wachten, en te wachten, en nog langer sta te wachten op de zon ben ik dolblij dat de wind wat minder vat op me heeft.
Als het juiste moment zich dan eindelijk aandient sta ik niet verkleumd te bibberen maar sla met vaste hand mijn slag en heb het hele jasje met dat ene schilderachtige plaatje alweer bijna terugverdiend. Het jasje was in de aanbieding, dat zeg ik er eerlijk bij, en kost me ook omgerekend notabene amper de helft van dat achterlijke en voor mij bijna levensgevaarlijke AGU winterfietsjack van twintig jaar geleden. Het is maar goed dat ik dat toen nog niet wist.
Dus je loopt ergens ver buiten je territorium in een spannend bos dat je niet kent en opeens zie je voor je een gigantische olifantspoot opdoemen. Veel te groot voor de poot van een olifant maar iets anders kan het al helemaal niet zijn. De andere drie poten zijn nergens te bekennen, zo groot is de olifant. Ik voel me een mier en kijk omhoog op zoek naar de slurf. Er is geen slurf, het is een boom. Met recht een woudreus en het is dan ook geen wonder dat ik eerst mijn ogen niet geloof.
In mijn herinnering groeit deze boom tot ver in de hemel maar ze zeggen dat die tijd nu toch echt voorbij is dus ik zal me vast vergissen. Niet tot in de hemel dan misschien maar dat de boom echt heel erg dik en oud en groot is weet ik zeker en zo'n boom heb ik nog nooit eerder gezien. Gelukkig heb ik mijn camera bij me en ik schiet vanaf statief een foto die hier als onomstotelijk bewijsmateriaal kan dienen.
Ik loop voorzichtig op de boom af en kan me moeiteloos in een plooi in de stam verstoppen. Al snel voel ik me één worden met deze fantastische boom. Vlak voor ik wortel dreig te schieten doe ik een stap terug en kijk nog een keer omhoog.
Dit is een boom om U tegen te zeggen, dit is een boom om deemoedig voor op je knieën te gaan en te bidden, dit is een boom om een religie omheen te breien, dit is een toverboom, een wensboom, dit is DE boom.
Ik wens, ik wens... dat je nooit omgezaagd zult worden. Niet voor een vliegveld, niet voor een autoweg, niet voor een natuurgebied en zelfs niet in een strip van kabouter Wesley, hoe zeer ik ook gesteld ben op mijn humeurige held die wandelen in de natuur haat. Nee, deze boom moet altijd en eeuwig blijven staan, zolang als er bomen bestaan en in elke stoffelijke en minder stoffelijke realiteit.
Vandaag gaat één van mijn wensen in vervulling. Het is slechts een wens uit de categorie 'als het ooit zo te pas komt' en ik heb vele wensen die groter zijn en hoger op mijn lijstje staan maar desondanks geeft deze vervulling een goed gevoel. Achteraf wel te verstaan want tijdens het vervullen van de wens sta ik vooral te vernikkelen van de kou, wat helemaal niet zo goed voelt.
Mijn wens, een oude luchtwachttoren bij Oudemirdum, staat vandaag erg letterlijk op de tocht en terwijl ik bezig ben met fotograferen kruipt de straffe wind dwars door mijn gore-tex jas. De wind komt van ver en heeft na mijn jas nog genoeg kracht over om door mijn fleecetrui te waaien. Dan door mijn shirt met lange mouwen, door een shirt met korte mouwen en tot slot ook nog dwars door het thermohemdje dat ik uit voorzorg aantrok.
En zo sta ik dan toch nog te blauwbekken aan de voet van een van de weinige luchtwachttorens die nog overeind staan. Het zijn oerlelijke torens van betonnen roosterachtige geveldelen die in de koude oorlog dienden als uitkijkpost om de vliegtuigen van de vijand zo snel mogelijk te signaleren. Er zijn er zo'n 140 van gebouwd die allen slechts vrij kort dienst hebben gedaan.
Onwillekeurig gaan mijn gedachten uit naar al die vrijwilligers (!) die hier ooit dag en nacht boven op de toren de lucht afspeurden naar Russische jachtvliegtuigen en raketten. Helemaal voor niets is het allemaal niet geweest, één keer wordt er in Limburg een Russisch vliegtuig betrapt dat op de terugweg van een Franse vliegshow met opzet uit koers raakt om een stukje Nederland in kaart te brengen.
Ver voor de dooi van de koude oorlog invalt worden de luchtwachttorens al ingehaald door radar en andere technologie en vanaf 1968 worden ze nergens meer als uitkijkpost gebruikt. Op een aantal plekken geeft de overheid, ook toen al onze trouwe grossier in angst, de torens een tweede leven als meetpunt voor nucleaire aanvallen. Er staan er nu nog een handjevol overeind, ik weet er een te staan bij de Ramspolbrug en de andere die ik ken staat hier in Gaasterland, vlak bij Oudemirdum. Op de website www.forten.info zijn de locaties van de overgebleven torens te vinden.
Na de vernikkelende luchtwachttoren wacht de luwte van het Rijsterbos waar het in het echt veel spannender is dan de strakke saaie lijnen op de wandelkaart suggereren. Het is een volkomen onnatuurlijk bos dat helemaal door mensenhanden is aangelegd maar het ligt er al een paar honderd jaar en in zo'n tijdsspanne weet de natuur van ons gehark en gepruts soms toch nog iets aardigs te maken.
In het bos staan bomen, daar zal geen mens van opkijken, maar van de bomen die her en der in het Rijsterbos staan kijk zelfs ik nog op. Terwijl ik toch best een verwende boskabouter ben met een Woldberg om de hoek waar ook prachtige beukenlanen op leeftijd te vinden zijn. Maar wat een stoere kanjers staan hier her en der in kleine groepjes.
De grootste beuk van het Rijsterbos staat vlak bij het enige Friese hunebed dat geen hunebed is. De Friezen zelf rekenen al lang niet meer op zo'n historische schat op eigen bodem dus als een bosarbeider in 1849 tijdens het graven van een greppel zijn rug breekt op een paar enorme zwerfkeien haalt hij die maar omhoog en slaat ze tot puin voor wegverharding. Korte tijd later wordt duidelijk dat hij het enige Friese hunebed gesloopt heeft. Of toch ook weer niet.
Vanaf die tijd pronken de Friezen een poosje met hun eigenste hunebed maar in 1997 komt er een einde aan de Friese droom als nieuw onderzoek duidelijk maakt dat het hier in het Rijsterbos slechts om een eenvoudige steenkist gaat. Een steenkist is veel kleiner dan een hunebed en mist de dekstenen. Sneu hoor, voor de Friezen, dat ze achteraf toch nooit een echt hunebed gehad hebben.
Maar een echt bos hebben ze dus wel. En ik zal nooit meer meewarig glimlachen als een Fries trots vertelt dat er in zijn land ook echt bos staat met echte bomen er in want sinds mijn bezoek aan het Rijsterbos weet ik dat hij de waarheid spreekt.
De grootste beuk die ik er tegenkom is zo groot, oud en indrukwekkend dat ik er echt even stil van word. Daar kunnen mijn bomen op de Woldberg echt niet tegenop en vergeleken bij deze enorme woudreus ben ik zelf niet veel meer dan een dansend mugje. Ik ben hier op aarde maar heel even op visite, maar die boom, die staat er nog wel een poosje.
Op de ligfietsmailinglijst wordt mij zijdelings geopenbaard dat verkeersborden elk een individuele code hebben. Fantastisch, hoe verzinnen ze het en waarom ook niet eigenlijk. Er zijn twee borden waar je als velomobilist een beetje op moet letten. C14 is de ene, verboden voor fietsers. Wit, rode rand, zwart fietsje.
Een ander interessant bord is G11, onschuldig blauw met een wit fietsje. Maar schijn bedriegt en wees op uw hoede want dit is voor fietsers het meest achterbakse verkeersbord dat er bestaat. G11 ziet er met zijn blauwe kleur helemaal niet zo dwingend uit maar bepaalt ondertussen wel mooi dat iedere fietser ter plekke het fietspad op moet, ook snelle wielrenners.
Eigenlijk kan het bordje er niet eens zo veel aan doen, het is vooral het fietspad dat blaam treft en waarschijnlijk vooral de ontwerper van dat fietspad. Als het fietspad in orde is geeft zo'n bordje niks en iedere fietser laat zich dan maar al te graag verleiden. Maar lang niet elk fietspad is in orde. Voor het gemiddelde fietspad geldt in Nederland code Vmax = 15, oftewel als je er overheen kruipt met de duizelingwekkende snelheid van vijftien kilometer per uur is het er soms best aangenaam verplaatsen. Vooral als je, zoals het een echte Nederlandse fietser betaamt, nooit je banden oppompt.
En zelfs aan Vmax = 15 hebben fietspadontwerpers tegenwoordig een broertje dood. Op rechte stukken wil het nog wel maar bij praktisch elke bocht, kruising of invoeging hang je ook bij een slakkengang van vijftien kilometer per uur opeens met je neus in een heg of waarschuwingsbord. Terwijl dat bord nog zo waarschuwde dat je je opeens zijdelings dient te kunnen verplaatsen. Vol in de rem maar weer en stapvoets verder, je zou er gillend gek van worden.
En daarom rij ik dus in een velomobiel. Het klinkt gek maar juist omdat een velomobiel wat dikker is past ie precies door een piepklein gaatje in de regelgeving. Andere fietsen niet, die zijn er te smal voor. Het gaatje is zo onbeduidend dat geen politicus zich er ooit druk over zal maken en dat is een voordeel. Nadeel is dan weer dat de meeste aanhoudingsbevoegde ambtenaren er ook geen weet van hebben en dat kan onderweg soms enig oponthoud geven.
Menig velomobilist ziet daar graag verandering in komen want het is niet leuk om onderweg onterecht opgehouden, aangehouden en heel soms zelfs op de bon geslingerd te worden. Dat agenten eigenwijs zijn is ze gerade, daar zijn ze agent voor geworden. En dat agenten niet elke letter van de wet kennen valt ze ook niet echt te verwijten, er staan wel erg veel lettertjes en subsubs ad huppeldepups in onze wetboeken. Maar de combinatie van agent, eigenwijs en onwetendheid kan zelfs bij de meest verlichte ziel soms tot enige irritatie leiden.
Ik heb zo'n situatie gelukkig nog nooit bij de hand gehad maar voor voorkomende gevallen ligt er ergens diep onder in mijn fiets een kopietje van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, hoofdstuk 2, artikel 5 sub 4. Dat subartikel luidt als volgt: 'Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen (dat zijn wij dus, velomobilisten) en fietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken (en kunnen G11 dus negeren).
Daarom is een goede velomobiel tenminste 76 centimeter breed want dan staat dat achterbakse bordje G11 opeens helemaal voor schut en krijgt de serieuzere doorfietser er gratis een halve wereld aan mogelijkheden bij. Het schept ruimte om lekker door te trappen, precies één van de doelen van dat knappe staaltje rijwieltechniek dus dat komt goed uit.
Maar heel soms sta je zelfs als velomobilist machteloos. De uitzondering in de wet geldt namelijk niet voor C14, verboden voor fietsers, daar dient iedere fietser dus ook de velomobilist met een zeis overdwars op zijn fiets gebonden braaf gehoor aan te geven. Het is juist daarom zo ontzettend jammer dat C14 de laatste tijd zo in de mode raakt. Op steeds meer plekken wordt mij de lust en zelfs de legale mogelijkheid tot fietsen ontnomen door botte plaatsing van dit misselijke verbodsbord.
Zo liep er tussen Steenwijk en Meppel een goede snelle fietsroute met veel vrijliggend fietspad, afgewisseld met enkele stukjes gewone rijbaan. Niet de kortste route maar wel de snelste en je kon er lekker doortrappen, heerlijk. Totdat een niet nader te classificeren gemeenteambtenaar in een opwelling verzon dat een klein stukje van die route te gevaarlijk was voor fietsers. Ik heb het over iets meer dan een kilometer.
Afsluiten voor doorgaand autoverkeer leek voor de hand liggend, de snelweg loopt er tien meter naast en heeft voldoende op- en afritten op dat stuk. Maar de betreffende ambtenaar heeft kennelijk niet zoveel met fietsen en dus werd het een algehele afsluiting voor fietsers. Het is al weer enkele jaren geleden maar ik kan er nog steeds witheet van worden. Naast snel aangebrand ben ik vooral een braaf en bang aangelegd kereltje dus naar Meppel fiets ik tegenwoordig maar anders. Dat voelt niet goed maar ik zie geen andere oplossing.
Er is echter één situatie in de buurt waar ik af en toe een verkeersovertreding bega. Mijn verzet, mijn eigenste miezerige kleinzielige protestactie. Midden in een Drents dorpje staat onder toeziend oog van een schitterende oude kerk met zadeldak een C14, verboden voor fietsers dus. Op een belachelijke plek.
Als je er de regels volgt maak je eerst een rare schuine oversteek over een pleintje (Vmax = 8 maar ik ben al bijna thuis dus heb haast) dat zo geniepig overloopt in een zijweg dat je eventueel verkeer over het hoofd ziet, rammelt dan honderd meter over een schofterige klinkerweg, moet de hoofdrijbaan oversteken met ervoor en erna een haakse bocht en loopt bij de eerstvolgende zijweg (te hoog plantsoen en gevaarlijke uitbuiging) alsnog het risico egelsgewijs platgereden te worden door iemand die net een sportieve testrit gaat maken met een FIAT, want die garage ligt er om de hoek.
Ik op mijn beurt heb mijn leven lief, geef mijn verstand graag voorrang en zie voor één keer, per rit wel te verstaan, een C14 over het hoofd. Gedurende tien meter ben ik in overtreding, dan steek ik schuin de weg over naar de linkerkant van de weg en bereik veilig een keurig fietspad. Na het plegen van deze overtreding haal ik altijd weer opgelucht adem en wis het angstzweet van mijn voorhoofd. Pfff, weer niet betrapt.
Ooit zal ik hier op een onoplettend moment aangehouden en geheel terecht bekeurd worden. Ik hoop maar dat ik dan zo sportief ben om de bonnenschrijvende pennenlikker vriendelijk te woord te staan en niet al te zuur sta te kijken, maar ik beloof niks want het blijft natuurlijk zonde van het geld.