Na mijn fietstochtje door De Weerribben doe ik het even rustig aan. Tenminste, dat is de bedoeling, maar op de dagen erna staat de zon zo verleidelijk aan de hemel dat ik er voor mijn gevoel niet onderuit kom in elk geval even buiten een rondje te lopen.
En liet ik het nu maar bij een klein rondje, dan was er waarschijnlijk niet veel aan de hand, maar als een hongerig vogeltje hip ik van kruimeltje naar kruimeltje. De kruimeltjes zijn in mijn geval natuurlijk de bloemetjes, bomen en mosjes die zich met wat zonneschijn zo lieflijk laten fotograferen. Het voorjaar is overal, en daar wil ik met mijn neus bovenop zitten.
Van het een komt het ander en terwijl ik mij zo verlies in mijn camerazoeker raak ik steeds verder van huis. Dan verdwijnt de zon achter de wolken en kijk ik eindelijk eens om me heen, Oeps, hoe ben ik hier helemaal verzeild geraakt, ik heb niet eens een fietspomp of plaksetje bij me.
De moed zinkt me opeens in de schoenen en dan voel ik pas hoe verschrikkelijk moe ik ben. Met mijn tong op mijn schoenen weet ik me naar huis te slepen, kruip in bed ('even maar' beloof ik mezelf) en wordt twee uur later uit een soort coma wakker. Ik lijk wel moe.
Zo moe ben ik lang niet geweest, het lijkt er op dat ik nog niet helemaal over mijn griepje heen ben. Nog rustiger aan dan maar, ook al jeuken mijn handen als ik naar buiten kijk. De volgende dag voel ik me een lijk en besluit ik binnen te blijven. De zon heeft de moed echter nog lang niet verloren en al snel smelten mijn voornemens als sneeuw voor de zon.
Die ene bloeiende kers zag er gisteren echt heel verleidelijk uit maar toen ik er langs kwam was de zon net weg en de feestsfeer verdwenen. Als ik nou alleen even naar die struik fiets, dat moet toch wel kunnen? Ja, dat moet wel kunnen, maar dat wil nog niet zeggen dat ik het ook kan.
Want achter die ene kersenboom gloort natuurlijk de hoop op een nog mooier plaatje, en opnieuw raak ik veel verder van huis dan de bedoeling is. Ik eindig op een heideveldje midden op De Eese en schiet beslist aardige plaatjes maar vraag me niet hoe ik weer thuis kom.
Vroeg naar bed maar en morgen gezond weer op. Ik heb een therapiesessie waar ik makkelijk met de fiets heen zou kunnen, ware het niet dat ik me de dagen ervoor voor mijn doen verschrikkelijk aangesteld heb en nu mijn ene been haast niet meer voor het andere krijg. Een lieve vrouw en een autootje brengen uitkomst en zo heb ik in elk geval lichamelijk even een rustdag.
Ik krijg van mijn therapeut op mijn kop dat ik zo slecht naar mezelf luister, ik zou zo langzamerhand echt beter kunnen weten. Ze heeft helemaal gelijk en natuurlijk beloof ik beterschap en natuurlijk ga ik vol goede voornemens naar huis. Voortaan zal ik wat verstandiger zijn en mezelf niet zo uithollen, ik heb nu eenmaal erg weinig energie de laatste tijd en moet me daar maar eens als een verstandige en volwassen vent bij neerleggen.
Daar kijk ik de volgende dag toch net weer even anders tegenaan. De groente is op, de lekkerste groente is echt op fietsafstand te krijgen, dus als ik nou alleen even een kort ritje maak. Maar na het volstouwen van mijn fiets met aardappelen en raapsteeltjes vind ik dat ik echt nog een klein ommetje verdiend heb. Met wat geluk bloeit de gagel al op het Uffelterveen en zo ver is dat nu ook weer niet om.
En zo weet ik mezelf weer verrukkelijk voor de gek te houden en lijk ik het nooit te leren. Hoe onverstandig en hardleers ook, de gagel bloeit inderdaad al, precies genoeg voor een paar fraaie close-up foto's. En de koe die bij Wapserveen naast een schuurtje eenzaam staat te zijn had ik eerlijk gezegd ook voor geen goud willen missen, hoe grauw het licht ook mag zijn.
Om het nog maar niet te hebben over het bakhuisje vlak bij Steenwijk dat ik nu al jaren in de smiezen heb maar waar ik nog nooit met het juiste licht langs fietste. Vandaag breekt de zon net een beetje door als ik passeer en staat het huisje er zo lieflijk bij dat ik er bijna opgewonden van wordt. Dat is dus weer stoppen en fotograferen geblazen.
Zaterdag volgt dan eindelijk de onvermijdelijke afrekening van een weekje overdreven doen: 's morgens kan ik mijn ogen amper open krijgen en hoofd en lijf voelen als een zak zaagsel. Doordat de zon zich koest houdt en het lichaam overtuigend in staking is lukt het eindelijk om een wat serieuzere adempauze in te lassen en kan ik het eindelijk opbrengen om er een leuterdagje van te maken. Ik leer het heus wel een keertje, maar natuurlijk wel pas nadat ik zeven keer mijn hoofd gestoten heb.