Sinds vele maanden rij ik onderweg weer eens lek. Dat is een van de voordelen als je zo weinig fietst, alles slijt minder snel en je hebt ook minder vaak pech onderweg. Nou valt het bij een Quest met die pech onderweg toch al reuze mee, veel verder dan een lekke band (af en toe) of een ontspoorde ketting (één keer) is het bij mij nog niet gekomen.
Maar ondanks mijn belachelijk lage kilometrages van de laatste jaren rij ik dus toch weer een keertje lek. Een steenscherfje is net naast het loopvlak in de band gedrongen en heeft de binnenband beschadigd. Er zit een anti-leklint in de band maar daar zat het steentje net naast te porren. In Vledder wissel ik op een grasveldje voor de prachtige oude kerk de binnenband, pomp me een ongeluk om ongeveer tot 6 bar te komen en fiets dan naar huis.
De gruwelijke beelden die ik daar bij de kerk in Vledder zie zullen me nog lang blijven achtervolgen. 's Nachts droom ik er zelfs over en uiteindelijk besluit ik er een einde aan te maken. Nee, niet aan mezelf, dat kan altijd nog, maar aan die rotbeelden. Dat is eigenlijk niet eens zo moeilijk, ik hoef alleen maar twee tot op de draad versleten buitenbanden te vervangen door iets nieuwers, want dat zijn de gruwelijke beelden waar het om gaat.
Het rubber dat er nog wel aan zit is precies genoeg om de boel zo'n beetje bij elkaar te houden. Als ik daar niet snel wat aan doe ga ik binnenkort onderweg een keer heel beteuterd staan te kijken en mezelf van alles lopen verwijten. Zoiets komt ook nog altijd erg ongelegen dus ik ben flink, stroop mijn mouwen zo ver op dat zelfs mijn slappe ruggengraat er recht van gaat staan en dan, dan vind ik eindelijk genoeg moed om onderhoud aan mijn Quest te doen.
Het verwisselen van de twee voorbanden valt in het niet bij het noodzakelijke onderhoud aan de trommelremmen die al gedurende minstens een jaar een grotendeels symbolische bijdrage leveren aan mijn remvermogen. Er blijkt veel meer mis dan ik ooit had kunnen verzinnen en eigenlijk moet er van alles vervangen worden. Ik ontdek zwaar versleten glijbussen, drooggelopen dempingsrubbers, losgebroken lijmverbindingen en nog veel meer verdrietige dingen.
Bij zoveel mechanische ellende kost het moeite om niet in paniek te raken. Je zou uit pure wanhoop toch bijna een nieuwe fiets gaan kopen. Dapper plak ik wat losgekomen is weer aan elkaar, wat gesmeerd moet worden smeer ik en daarna zet ik alles weer in de juiste volgorde op zijn plek. De ketting moet eigenlijk ook nog een drupje olie op elke schakel maar dat kan ik niet meer opbrengen en volkomen uitgeput wurm ik mijn nu iets minder verwaarloosde fiets terug in zijn hokje.
De volgende dag is de frustratie groot als blijkt dat het onderhoud amper effect heeft gesorteerd. De remmen zijn niet veel beter geworden en misschien zelfs een tikkeltje slechter. Eentje lijkt er flink aan te lopen terwijl de andere amper remt. Als ik hard rem trekt de fiets eigenwijs naar links. Ik heb heus niks tegen links maar wel als ik hard met mijn fiets rem. Dan wil ik gewoon rechtdoor blijven rijden en bij voorkeur ook nog in vertrouwenwekkende mate vertraagd worden.
Verder is de fiets niet vooruit te branden. Of dat aan mij of aan de fiets ligt krijg ik niet duidelijk. Onderhoud gaat bij een velomobiel altijd gepaard met veel gekruip, gebuk en gewurm en dat heeft me beslist geen goed gedaan. Ik stop om de banden te controleren. Nieuwe banden willen zich in het begin nog wel eens zetten en daardoor in korte tijd veel druk verliezen. De banden lijken goed op druk maar omdat ik niks beters kan verzinnen zet ik de handpomp er toch nog maar even op.
Als ik een aantal dagen later genoeg moed verzameld heb controleer ik de sporing eens en meet een toespoor van zo'n vier mm. Dat zijn er maar liefst drie en een half te veel. Ik reken nergens meer op maar in het uitzonderlijke geval dat ik geluk heb is het vooral die lichte ontsporing die me parten heeft gespeeld. Mocht ik er op mijn eerstvolgende fietstocht vandoor gaan als een raket en binnen de kortste keren verdwalen in verre buitenlanden dan weet ik dat dat het inderdaad geweest moet zijn.
Zal ik... durf ik... voor één keer? Een weblog zonder foto? Ze zijn zo ongeveer op namelijk. Ik hoop, ik hoop, ik hoop maar dat het met het harde augustus-licht te maken heeft. Of met een tijdelijke fotografisch inzinking. Omdat er een camera weg is voor reparatie bijvoorbeeld. Kan je best sip van worden toch?. Of zomaar iets anders doms en onbenulligs.
Als het maar niet is omdat de muze der fotografie mij voorgoed verlaten heeft. Maar ik weet het niet, ik weet het niet, het is best een beetje griezelig. Mijn foto-blik die altijd weer hongerig zoekt naar licht, kleur en andere gelukjes voelt stoffig en grauw de laatste tijd. Het is net of ik sinds kort telkens de verkeerde kant op kijk. Misschien had ik wel te maken met extreem langdurig beginnersgeluk en begint nu het echte sappelen, wie zal het zeggen.
Zonder foto dan maar? Nee, dat kan echt niet, nu nog niet. Dus vooruit maar weer, een kleurige distelvlinder vlak bij een zeer drukke rotonde tussen Steenwijk en de snelweg.