Vandaag gaat één van mijn wensen in vervulling. Het is slechts een wens uit de categorie 'als het ooit zo te pas komt' en ik heb vele wensen die groter zijn en hoger op mijn lijstje staan maar desondanks geeft deze vervulling een goed gevoel. Achteraf wel te verstaan want tijdens het vervullen van de wens sta ik vooral te vernikkelen van de kou, wat helemaal niet zo goed voelt.
Mijn wens, een oude luchtwachttoren bij Oudemirdum, staat vandaag erg letterlijk op de tocht en terwijl ik bezig ben met fotograferen kruipt de straffe wind dwars door mijn gore-tex jas. De wind komt van ver en heeft na mijn jas nog genoeg kracht over om door mijn fleecetrui te waaien. Dan door mijn shirt met lange mouwen, door een shirt met korte mouwen en tot slot ook nog dwars door het thermohemdje dat ik uit voorzorg aantrok.
En zo sta ik dan toch nog te blauwbekken aan de voet van een van de weinige luchtwachttorens die nog overeind staan. Het zijn oerlelijke torens van betonnen roosterachtige geveldelen die in de koude oorlog dienden als uitkijkpost om de vliegtuigen van de vijand zo snel mogelijk te signaleren. Er zijn er zo'n 140 van gebouwd die allen slechts vrij kort dienst hebben gedaan.
Onwillekeurig gaan mijn gedachten uit naar al die vrijwilligers (!) die hier ooit dag en nacht boven op de toren de lucht afspeurden naar Russische jachtvliegtuigen en raketten. Helemaal voor niets is het allemaal niet geweest, één keer wordt er in Limburg een Russisch vliegtuig betrapt dat op de terugweg van een Franse vliegshow met opzet uit koers raakt om een stukje Nederland in kaart te brengen.
Ver voor de dooi van de koude oorlog invalt worden de luchtwachttorens al ingehaald door radar en andere technologie en vanaf 1968 worden ze nergens meer als uitkijkpost gebruikt. Op een aantal plekken geeft de overheid, ook toen al onze trouwe grossier in angst, de torens een tweede leven als meetpunt voor nucleaire aanvallen. Er staan er nu nog een handjevol overeind, ik weet er een te staan bij de Ramspolbrug en de andere die ik ken staat hier in Gaasterland, vlak bij Oudemirdum. Op de website www.forten.info zijn de locaties van de overgebleven torens te vinden.
Na de vernikkelende luchtwachttoren wacht de luwte van het Rijsterbos waar het in het echt veel spannender is dan de strakke saaie lijnen op de wandelkaart suggereren. Het is een volkomen onnatuurlijk bos dat helemaal door mensenhanden is aangelegd maar het ligt er al een paar honderd jaar en in zo'n tijdsspanne weet de natuur van ons gehark en gepruts soms toch nog iets aardigs te maken.
In het bos staan bomen, daar zal geen mens van opkijken, maar van de bomen die her en der in het Rijsterbos staan kijk zelfs ik nog op. Terwijl ik toch best een verwende boskabouter ben met een Woldberg om de hoek waar ook prachtige beukenlanen op leeftijd te vinden zijn. Maar wat een stoere kanjers staan hier her en der in kleine groepjes.
De grootste beuk van het Rijsterbos staat vlak bij het enige Friese hunebed dat geen hunebed is. De Friezen zelf rekenen al lang niet meer op zo'n historische schat op eigen bodem dus als een bosarbeider in 1849 tijdens het graven van een greppel zijn rug breekt op een paar enorme zwerfkeien haalt hij die maar omhoog en slaat ze tot puin voor wegverharding. Korte tijd later wordt duidelijk dat hij het enige Friese hunebed gesloopt heeft. Of toch ook weer niet.
Vanaf die tijd pronken de Friezen een poosje met hun eigenste hunebed maar in 1997 komt er een einde aan de Friese droom als nieuw onderzoek duidelijk maakt dat het hier in het Rijsterbos slechts om een eenvoudige steenkist gaat. Een steenkist is veel kleiner dan een hunebed en mist de dekstenen. Sneu hoor, voor de Friezen, dat ze achteraf toch nooit een echt hunebed gehad hebben.
Maar een echt bos hebben ze dus wel. En ik zal nooit meer meewarig glimlachen als een Fries trots vertelt dat er in zijn land ook echt bos staat met echte bomen er in want sinds mijn bezoek aan het Rijsterbos weet ik dat hij de waarheid spreekt.
De grootste beuk die ik er tegenkom is zo groot, oud en indrukwekkend dat ik er echt even stil van word. Daar kunnen mijn bomen op de Woldberg echt niet tegenop en vergeleken bij deze enorme woudreus ben ik zelf niet veel meer dan een dansend mugje. Ik ben hier op aarde maar heel even op visite, maar die boom, die staat er nog wel een poosje.